Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Cubaanse troepiaal

Cubaanse troepiaal | Icterus melanopsis

Cuban Oriole | Turpial cubano

De Cubaanse troepiaal is de zwart-gele troepiaal van Cuba. Tot 2010 werd hij met de troepialen van Hispaniola, Puerto Rico en de Bahama's samengenomen als één soort, de Grote Antillentroepiaal; sindsdien gelden de vier vormen op grond van DNA, verenkleed en zang als aparte soorten. Zijn naaste verwant is de Bahamatroepiaal. De naam moet niet verward worden met de Cubaanse zwarte troepiaal Ptiloxena atroviolacea, een geheel zwarte troepiaal die vroeger Cubaanse troepiaal heette.

Cubaanse troepiaal (Icterus melanopsis)
Foto: Dino Kanlic — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een scherp tsjip en een nasaal wienk. De zang is een reeks van ongeveer tien tot twaalf heldere, dalende fluittonen van twee à drie seconden, lager dan bij de Puerto Ricaanse troepiaal, met een kortere variant van vijf à zes tonen. Gezongen wordt vooral kort na zonsopkomst.

Luister: ZangXC388888

Opname: Wayne Fidler — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

20–22 cm, slank, met een lange staart en een spitse, licht gebogen zwarte snavel met een grijsblauwe vlek aan de basis van de ondersnavel. De donkerste van de Antillentroepialen: vrijwel geheel zwart, met geel alleen op de schouder, de stuit, de dijen en een klein deel van de onderstaartdekveren; buik en bovenstaartdekveren zijn zwart. De seksen zijn in het veld niet te onderscheiden. Jonge vogels zijn olijfkleurig, van onderen groenachtig met een gelere anaalstreek, en hebben zwartachtige vleugels met olijfgroene randen. Het volwassen kleed komt laat: onvolwassen vogels lijken nog op jongen, maar hebben al een zwarte kin, keel en teugel.

Verwarrings­soorten

De Cubaanse zwarte troepiaal Ptiloxena atroviolacea en de Antilliaanse troepiaal Quiscalus niger zijn groter en geheel zwart; de laatste heeft een gele iris en een kielvormige staart. De bruinboegtroepiaal Agelaius humeralis heeft alleen een bruingele schoudervlek en geen geel op stuit of dijen. De Baltimoretroepiaal Icterus galbula en de tuintroepiaal Icterus spurius zijn wintergasten met witte vleugelstrepen; vrouwtjes en jonge vogels daarvan zijn olijfgeel, maar onderscheiden zich door die vleugelstrepen van de jonge Cubaanse troepiaal. De Hispaniolatroepiaal Icterus dominicensis komt op Cuba niet voor.

Leefgebied

Vochtig en droog laaglandbos, bosranden, mangrove, plantages en tuinen, ook in dorpen en stadsparken met palmen en bananen. Eet vooral insecten, daarnaast vruchten en nectar van onder meer bananen, citrus en koraalboom Erythrina; bij bloemen pikt hij soms de kelk open om nectar te stelen. Het nest is een hangende buidel van vezels van palm- en bananenbladeren, onder een palmblad bevestigd. Paren houden het hele jaar een territorium.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Alleen op Cuba: over het hele hoofdeiland, plaatselijk vrij algemeen, en op Isla de la Juventud en enkele cayos aan de noordkust, zoals Cayo Coco, Cayo Guillermo en Cayo Paredón Grande. Een losse melding uit India in de kaartdatabase is een invoerfout. Buiten Cuba komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In parken, tuinen, hotelterreinen en dorpsranden met palmen, bijvoorbeeld rond Playa Larga op het schiereiland Zapata en op Cayo Coco. De vogels zoeken vaak aan de onderkant van palmbladeren en in bloeiende koraalbomen; het scherpe tsjip verraadt ze meestal eerder dan het verenkleed.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de soort is op Cuba wijdverbreid en komt ook in tuinen en plantages voor. Broedparasitisme door de glanskoevogel Molothrus bonariensis, die zich in de jaren tachtig op Cuba heeft gevestigd, kan de broedresultaten drukken.

Wetenschappelijke naam

Icterus melanopsis | (Wagler, 1829) (GBIF: Icterus dominicensis)

Wagler beschreef de soort in 1829 als Ps[arocolius] melanopsis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Icterus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Icterus komt van het Griekse ikteros, een gele vogel — doorgaans opgevat als de wielewaal — waarvan de aanblik geelzucht zou genezen. melanopsis is Grieks, van melas 'zwart' en opsis 'uiterlijk': 'zwart ogend', naar het bijna geheel zwarte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit omgeving van Havana, Cuba.