Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Hispaniolatroepiaal

Hispaniolatroepiaal | Icterus dominicensis

Hispaniolan Oriole | Turpial de La Española

De Hispaniolatroepiaal is een zwart-gele troepiaal die alleen op Hispaniola en enkele omliggende eilanden voorkomt. Tot 2010 werd hij met de troepialen van Cuba, Puerto Rico en de Bahama's samengenomen als één soort, de Grote Antillentroepiaal; sindsdien gelden de vier vormen als aparte soorten. In de Dominicaanse Republiek heet hij cigua canaria.

Hispaniolatroepiaal (Icterus dominicensis)
Foto: Anthony Batista — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een scherp, kort kek of tsjek, vaak de eerste aanwijzing. De zang, een reeks hoge, heldere fluittonen, is vooral kort na zonsopkomst te horen en overdag zelden.

Luister: RoepXC794277

Opname: Barry Edmonston — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

20–22 cm, slank, met een lange staart en een spitse, licht gebogen zwarte snavel. Het volwassen verenkleed is grotendeels zwart, met geel op de schouder, de stuit, de onderbuik, de dijen en de onderstaart; het geel op de onderdelen reikt tot de onderborst. Witte vleugeltekening ontbreekt. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn van boven olijfgroen en van onderen dofgeel, met zwarte vleugels en een zwarte of roodbruine keel die geleidelijk in de borst overgaat.

Verwarrings­soorten

De Baltimoretroepiaal Icterus galbula en de tuintroepiaal Icterus spurius zijn wintergasten met witte vleugelstrepen; het mannetje van de eerste is oranje en zwart, dat van de tweede kastanjebruin en zwart, en vrouwtjes zijn olijfgeel met witte vleugelstrepen. De bruinboegtroepiaal Agelaius humeralis is geheel zwart met alleen een bruingele schoudervlek en heeft geen geel op stuit of buik. De Antilliaanse troepiaal Quiscalus niger is geheel glanzend zwart, met een geel oog.

Leefgebied

Vochtig en droog laaglandbos, bosranden, open bos, schaduwkoffieplantages, tuinen, parken en dorpen met palmen, van de kust tot in het middengebergte. Zoekt in bomen en palmen naar insecten, vruchten en nectar. Het nest is een hangende buidel van fijn geweven plantenvezels, meestal van palmbladeren, die aan de onderkant van een palm- of bananenblad wordt vastgemaakt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Alleen op Hispaniola, in Haïti en de Dominicaanse Republiek, en op de eilanden Gonâve, Tortuga en Saona. Op het hoofdeiland wijdverbreid waar bomen en palmen staan. De waarnemingen van Cuba, Puerto Rico en de Bahama's in de kaartdatabase horen bij de vroegere, ruimere soortopvatting en betreffen de Cubaanse troepiaal Icterus melanopsis, de Puerto Ricaanse troepiaal Icterus portoricensis en de Bahamatroepiaal Icterus northropi.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bij palmen in tuinen, hotelterreinen en dorpsranden, en in schaduwkoffie in het middengebergte, bijvoorbeeld in de omgeving van Jarabacoa en in de Sierra de Bahoruco. Het zachte kek uit een palmkroon is vaak het eerste teken; de vogels foerageren rustig en laten zich dan goed bekijken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is wijdverbreid en komt ook in tuinen en plantages voor. Broedparasitisme door de glanskoevogel Molothrus bonariensis, die zich sinds de jaren zeventig op Hispaniola heeft gevestigd, kan de broedresultaten drukken.

Wetenschappelijke naam

Icterus dominicensis | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als O[riolus] dominicensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Icterus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Icterus komt van het Griekse ikteros, een gele vogel — doorgaans opgevat als de wielewaal — waarvan de aanblik geelzucht zou genezen. dominicensis is Latijn voor 'van Santo Domingo', de oude naam voor Hispaniola, niet het eiland Dominica. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hispaniola.