Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Geelstuitbuidelspreeuw

Geelstuitbuidelspreeuw | Cacicus cela

Yellow-rumped Cacique | Cacique lomiamarillo

De geelstuitbuidelspreeuw is een zwart-gele troepiaal die, net als de oropendola's, in kolonies broedt in hangende, geweven nesten. In het Caribisch gebied leeft hij alleen op Trinidad. De kolonies hangen vaak in een boom met een actief wespennest, wat bescherming tegen nestrovers lijkt te bieden. De mannetjes zijn duidelijk groter dan de vrouwtjes.

Geelstuitbuidelspreeuw (Cacicus cela)
Foto: Rodrigo Mariaca — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De mannetjes hebben een uitgebreid, gevarieerd repertoire van vloeiende fluittonen, krassende en kakelende klanken en ratels, vaak met nagebootste geluiden van andere vogels en van andere dieren erin verwerkt. Een actieve kolonie is van ver te horen. De roep is een korte, harde tsjak.

Luister: VluchtroepXC1184053

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Mannetje ongeveer 28 cm, vrouwtje ongeveer 23 cm. Het verenkleed is zwart, met een heldergele stuit en onderrug, een gele onderbuik en onderstaart, een gele basishelft van de staart en een gele vlek op de vleugeldekveren. De snavel is lang, spits en lichtgeel tot ivoorkleurig, het oog lichtblauw. Het vrouwtje is kleiner en doffer, roetzwart, met minder glans. Jonge vogels hebben een donker oog en een donkerder snavel.

Verwarrings­soorten

De kuiforopendola Psarocolius decumanus is veel groter, met een kastanjebruine stuit, een gele staart met zwarte middenpennen en geen geel op de vleugel. De roodboegtroepiaal Icterus cayanensis is kleiner en slanker, met een dunne, zwarte snavel, een donker oog en een geheel zwarte staart. Het mannetje van de geelkaptroepiaal Chrysomus icterocephalus heeft een gele kop en geen geel op stuit of staart.

Leefgebied

Open bos en bosranden, rivierbegeleidend bos, moerasbos en palmmoeras, cacaoplantages, landbouwgebied met hoge, vrijstaande bomen en de randen van dorpen. Eet insecten en vruchten, vaak in groepen. De kolonies, soms van tientallen nesten, hangen in een vrijstaande boom of boven water; de vrouwtjes strijden om de plaatsen dicht bij het wespennest.

Verspreiding en trek

Standvogel op Trinidad, vrij algemeen in de valleien van de Northern Range, zoals de Arima-vallei en langs de weg naar Blanchisseuse, en in het oosten en zuiden, onder meer in en rond het Nariva-moeras. Op Tobago niet vastgesteld. Buiten het gebied van Panama door het noorden van Zuid-Amerika en het Amazonebekken tot Peru, Bolivia en Midden-Brazilië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Langs de Blanchisseuse Road en in de Arima-vallei, waar kolonies aan bomen langs de weg hangen. Een kolonie is te vinden door te luisteren naar het lawaai van zingende mannetjes; van dichtbij valt dan ook het wespennest op, wat reden is om afstand te houden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is in een groot deel van tropisch Zuid-Amerika algemeen en komt ook in door mensen veranderd landschap voor.

Wetenschappelijke naam

Cacicus cela | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Parus Cela; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cacicus werd in 1799 ingevoerd door De Lacépède. Cacicus komt van het Spaanse cacique 'opperhoofd', een woord uit het Taíno, naar het opvallende, 'vorstelijke' voorkomen. Waarom Linnaeus cela koos is onduidelijk; mogelijk een verkorting van het Griekse kelainos 'zwart', passend bij het overwegend zwarte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Suriname.