Alle soorten › Scharrelaarachtigen › Todies › Diksnaveltodie

Diksnaveltodie | Todus subulatus

Broad-billed Tody | Barrancolí picogrueso

De diksnaveltodie is de grootste van de vijf todies en een van de twee die op Hispaniola leven. Hij is de todie van de drogere laaglanden en lagere berghellingen; de smalsnaveltodie neemt het vochtige bergbos voor zijn rekening. Zoals alle todies zit hij lang stil op een dun takje en schiet dan naar een insect aan de onderkant van een blad.

Diksnaveltodie (Todus subulatus)
Foto: Anthony Batista — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een eentonige reeks terp-terp-terp in gelijkblijvend tempo en toonhoogte. Bij verstoring een trillend gekwetter. Met de vleugels kan hij een ratelend geluid maken.

Luister: ZangXC438072

Opname: George Wagner — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm, gedrongen, met een grote kop, een korte staart en een brede, platte snavel. De bovensnavel is zwart, de ondersnavel geheel rood. De bovendelen zijn helder groen, de keel rood. De onderdelen zijn grijsachtig wit met een gele zweem, de flanken lichtroze en de onderstaartdekveren geel. Het oog is donker. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De smalsnaveltodie Todus angustirostris lijkt sterk, maar heeft een smallere snavel met een donkere punt aan de ondersnavel, een licht oog, wittere onderdelen en rozerode flanken; hij leeft vooral hoger in vochtig bergbos. Waar beide voorkomen, is de roep het betrouwbaarste kenmerk. De Hispaniolasmaragdkolibrie Riccordia swainsonii is ook groen, maar heeft een dunne snavel en zweeft bij bloemen.

Leefgebied

Droog loofbos, droog laaglandstruweel en halfwoestijn met cactussen en agaven, maar ook secundair bos, schaduwkoffie en pijnbos, van zeeniveau tot ongeveer 1700 m. Jaagt vanaf een zitplaats op insecten en kleine ongewervelden op bladeren en takjes. Broedt van april tot juli in een zelfgegraven tunnel in een aarden oever, tot ongeveer 60 cm diep; het legsel telt één tot vier eieren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Endemisch op Hispaniola, in zowel de Dominicaanse Republiek als Haïti, en op het Île de la Gonâve. In de Dominicaanse Republiek algemener dan in het sterk ontboste Haïti. Buiten Hispaniola komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best in droog bos en struweel in het zuidwesten van de Dominicaanse Republiek en op de lagere hellingen van de bergen. De eentonige roep verraadt de vogel meestal eerder dan het groen. Waar droog en vochtig bos in elkaar overgaan, zijn beide todies van Hispaniola te vergelijken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is wijdverbreid en komt ook voor in secundair bos, struweel en koffieplantages.

Wetenschappelijke naam

Todus subulatus | Gray, 1847

Gray beschreef de soort in 1847 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Todus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Todus is een Latijns woord voor een klein vogeltje, genoemd door de toneelschrijver Plautus en de grammaticus Festus. subulatus is Latijn voor 'priemvormig' (van subula 'priem'), naar de snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit niet vermeld.