Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Elfenwoudzanger

Elfenwoudzanger | Setophaga angelae

Elfin Woods Warbler | Reinita de bosque enano

De elfenwoudzanger is een kleine zwart-witte zanger van de bergbossen van Puerto Rico. Hij werd pas in 1968 ontdekt, in het elfenwoud van de Luquillo-bergen, en in 1972 beschreven; daarmee was hij een van de laatst ontdekte vogelsoorten van het Caribisch gebied.

Elfenwoudzanger (Setophaga angelae)
Foto: Mike Morel/U. S. Fish and Wildlife Service. Enhancements by Quazgaa at en.wikipedia — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks korte, snel opeenvolgende, weinig melodieuze tonen op één toonhoogte, die in volume aanzwelt en eindigt in tweelettergrepige tonen. De roep is een kort, metaalachtig tsjip.

Luister: ZangXC998660

Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm, klein en fijn gebouwd. De bovendelen zijn overwegend zwart met witte tekening; er is een witte wenkbrauwstreep, een onvolledige witte oogring en een witte vlek op de oorstreek en de halszijde. De vleugel draagt twee witte vleugelstrepen, de buitenste staartpennen hebben witte vlekken. De onderdelen zijn wit met zwarte strepen. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben ongeveer een jaar lang een grijsgroene rug en een minder contrastrijke tekening.

Verwarrings­soorten

De bonte zanger Mniotilta varia, een wintergast, is groter, heeft een witte middenkruinstreep en kruipt langs stammen en takken. De zwartkopzanger Setophaga striata, een doortrekker, heeft in het voorjaar een egaal zwarte kruin en witte wangen, en in de herfst een olijfgroenig kleed. Adelaides zanger Setophaga adelaidae is grijs en geel.

Leefgebied

Elfenwoud en nevelwoud op de bergtoppen, tussen ongeveer 640 en 1030 m, en vochtig bergbos, secundair bos en schaduwkoffieplantages lager op de hellingen, vanaf ongeveer 370 m. Foerageert in de middelste laag en het bladerdak, vaak tussen lianen en dicht gebladerte, naar insecten en spinnen, en trekt mee in gemengde groepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Alleen op Puerto Rico, in het Maricao-bos in het westen, waar de grootste populatie leeft, en in het El Yunque-bos in de Luquillo-bergen in het oosten. Uit het Carite- en het Toro Negro-bos is de soort vermoedelijk verdwenen. Buiten Puerto Rico komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het Maricao-bos, langs de weg door het bos en de paden in de vroege ochtend. Gemengde groepen met Puerto Ricaanse tangares, todies en wintergasten onder de zangers zijn een goed aanknopingspunt; de vogel zoekt vaak in lianen en dicht gebladerte.

Staat van instandhouding

Bedreigd (EN). Het verspreidingsgebied is klein en versnipperd. De populatie werd in 2000 op ongeveer 600 volwassen vogels geschat en recenter op ten minste 1800. Bedreigingen zijn het verlies van bos door wegen, paden en zendmasten, bosbranden, orkanen en predatie. In de Verenigde Staten is de soort sinds 2016 wettelijk beschermd als bedreigde soort.

Wetenschappelijke naam

Setophaga angelae | (Kepler & Parkes, 1972)

Kepler & Parkes beschreef de soort in 1972 als Dendroica angelae; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. angelae eert Angela Kepler, die de soort in 1971 met haar man Cameron Kepler in Puerto Rico ontdekte. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sierra de Luquillo (El Yunque), Puerto Rico.