Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Kirtlands zanger

Kirtlands zanger | Setophaga kirtlandii

Kirtland's Warbler | Reinita de Kirtland

Kirtlands zanger is een van de zeldzaamste zangers van Noord-Amerika. Hij broedt vrijwel alleen in jonge bossen van Banks' den in Michigan, met kleine aantallen in Wisconsin en Ontario, en overwintert bijna uitsluitend op de Bahama's. Na een dieptepunt van minder dan tweehonderd zingende mannetjes in de jaren zeventig en tachtig is de populatie door intensief beheer hersteld.

Kirtlands zanger (Setophaga kirtlandii)
Foto: USFWS Midwest Region from United States — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

De zang, in de winter zelden te horen, is een luid, bubbelend tsjip-tsjip-tsjip-toe-toe-wiet-wiet, dat in het broedgebied op meer dan 400 m te horen is. De roep is een laag tsjip.

Luister: ZangXC1086870

Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14–15 cm, vrij groot voor een zanger, en voortdurend met de staart wippend. Het mannetje is van boven blauwgrijs met zwarte strepen op de rug, heeft zwarte teugels en een onderbroken witte oogring. De onderdelen zijn geel, met zwarte stippels en strepen op de borstzijden en flanken; de onderstaart is wit. Het vrouwtje en jonge vogels zijn bruiniger van boven, zonder zwarte teugels en minder contrastrijk getekend.

Verwarrings­soorten

De palmzanger Setophaga palmarum, op de Bahama's een algemene wintergast, wipt ook voortdurend met de staart, maar is kleiner en bruiner, met een lichte wenkbrauwstreep en een gele onderstaart. De prairiezanger Setophaga discolor is kleiner en olijfgroen van boven, met een geel gezicht met zwarte tekening. De magnoliazanger Setophaga magnolia heeft een gele stuit en een witte band halverwege de staart.

Leefgebied

In de winter laag, dicht struikgewas en jong kustbos (coppice) met kleine open plekken, vaak op terrein dat eerder verstoord is door kap, begrazing of brand. Eet behalve insecten veel bessen van struiken als Lantana involucrata, Erithalis fruticosa en Chiococca alba.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Overwintert vooral op de centrale Bahama's, met Eleuthera, Cat Island en San Salvador als bekendste eilanden, en in kleine aantallen op de Turks- en Caicoseilanden. Van Cuba en Hispaniola zijn enkele waarnemingen bekend. Buiten het gebied broedend in Michigan, Wisconsin en Ontario; op doortrek in het zuidoosten van de Verenigde Staten.

  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Eleuthera en Cat Island bieden de beste kansen, in struikgewas met rijpe bessen, van november tot maart. Het voortdurende staartwippen en het lage tsjip helpen de vogel te vinden; wachten bij een vruchtdragende struik is vaak succesvoller dan zoeken.

Staat van instandhouding

Gevoelig volgens de IUCN. De populatie groeide van minder dan tweehonderd zingende mannetjes tot ruim tweeduizend paren dankzij aanplant en beheer van jong dennenbos en bestrijding van de broedparasitaire bruinkopkoevogel. In 2019 werd de soort van de Amerikaanse lijst van bedreigde soorten gehaald. Blijvend beheer van het broedgebied en behoud van struikgewas op de Bahama's zijn nodig.

Wetenschappelijke naam

Setophaga kirtlandii | (Baird, 1852)

Baird beschreef de soort in 1852 als Sylvicola kirtlandii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. kirtlandii eert de Amerikaanse arts en natuuronderzoeker Jared Potter Kirtland (1793–1877). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Cleveland, Ohio (VS).