Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Amerikaanse roodstaart

Amerikaanse roodstaart | Setophaga ruticilla

American Redstart | Candelita norteña

De Amerikaanse roodstaart is een beweeglijke zanger die met gespreide staart en hangende vleugels door het gebladerte gaat en zo insecten opschrikt, die hij in korte vluchten vangt. Met de Europese roodstaarten is hij niet verwant; de naam slaat op de oranje of gele vlakken in staart en vleugels. In de winter is het een van de algemeenste trekkende zangers in het hele Caribisch gebied, van de Bahama's tot Trinidad en de ABC-eilanden.

Amerikaanse roodstaart (Setophaga ruticilla)
Foto: Andy Reago & Chrissy McClarren — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een scherp, wat hijgend tsjip; in de vlucht een dun tsiep. De zang, in het voorjaar ook op de eilanden te horen, is variabel: een reeks hoge noten met een benadrukte slotnoot, als tsie tsie tsie tsie-oe, of een herhaald tsiebe tsiebe tsiebe.

Luister: ZangXC1141305

Opname: Scott Olmstead — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–14 cm, slank, met een vrij lange staart en een brede, platte snavel met duidelijke borstels. Het adulte mannetje is glanzend zwart met oranje vlakken aan de zijkanten van de borst, een oranje band over de slagpennen en een oranje basis van de buitenste staartpennen; de buik is wit. Het vrouwtje is olijfgrijs boven, met een grijzere kop, een smalle witte oogring en witachtige onderdelen; waar het mannetje oranje heeft, is zij geel. Mannetjes in hun eerste jaar lijken op het vrouwtje, met zalmkleurige borstvlekken en soms enkele zwarte veren op kop of borst. De staart wordt vrijwel voortdurend gespreid en de vleugels half geopend.

Verwarrings­soorten

Het staartpatroon, gekleurde vlakken aan de basis en een donkere eindband, is kenmerkend. De magnoliazanger Setophaga magnolia heeft een witte band midden over de staart, vleugelstrepen en gestreepte flanken. Het vrouwtje van de gele zanger Setophaga aestiva heeft gele staartvlekken, maar is overal geelachtig en heeft geen grijze kop. Het gedrag, met gespreide staart en fladderende vangvluchten, onderscheidt de soort al op afstand.

Leefgebied

In de winter in vrijwel elk bos met een struik- of kronenlaag: droog en vochtig loofbos, kustbos, mangrove, bergbos tot op middelhoogte, schaduwkoffieplantages en tuinen en parken met bomen. Adulte mannetjes houden vaker territoria in mangrove en vochtig bos, vrouwtjes en jonge vogels vaker in droger struikbos. Vangt vooral vliegende insecten met korte uitvallen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Algemene wintergast en doortrekker op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico, de Maagdeneilanden en in de hele Kleine Antillen; ook op Trinidad en Tobago, de ABC-eilanden en San Andrés. Broedt in een groot deel van Canada en in het oosten en noordwesten van de Verenigde Staten en overwintert van Mexico via Midden-Amerika en het Caribisch gebied tot in het noorden van Zuid-Amerika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Algemeen in vrijwel elk bos en in hoteltuinen. Adulte mannetjes zijn het meest te verwachten in mangrove en vochtig laaglandbos. De voortdurend gespreide staart met gekleurde vlakken is ook in tegenlicht een aanknopingspunt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De populatie is groot. Onderzoek op Jamaica liet zien dat de kwaliteit van het overwinteringsgebied doorwerkt in het tijdstip van vertrek en het broedsucces in het noorden; het behoud van mangrove en vochtig laaglandbos is daarom ook voor deze soort van belang.

Wetenschappelijke naam

Setophaga ruticilla | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla ruticilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. ruticilla is Nieuwlatijn voor 'roodstaart', van rutilus 'rood' en het verkleinende -cilla; de staart heeft oranje vlakken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Virginia, Verenigde Staten.