Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Monnikszanger
Monnikszanger | Setophaga citrina
Hooded Warbler | Chipe encapuchado
De monnikszanger is een gele zanger waarvan het mannetje een zwarte kap heeft die het gele gezicht omlijst. Hij leeft in de onderlaag van vochtig bos en spreidt telkens zijn staart, waarbij grote witte vlekken zichtbaar worden. Het belangrijkste overwinteringsgebied ligt in Mexico en Midden-Amerika; in het Caribisch gebied is hij vooral op de westelijke Grote Antillen en de Bahama's een schaarse gast.
Geluid
De roep is een luid, metaalachtig tsjink, in dichte vegetatie vaak het eerste teken van de vogel. De zang, op de eilanden zelden te horen, is een heldere, fluitende reeks die eindigt in een benadrukte slotfrase: tawie tawie tawie tie-joe.
Opname: Jim Berry — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
13–14 cm, vrij fors gebouwd voor een zanger. Olijfgroen boven en helder geel onder, met donkere ogen in een geel gezicht. Het mannetje heeft een zwarte kap en keel die het gele voorhoofd en de wangen als een masker omlijsten. Bij het vrouwtje varieert de kap van afwezig, met alleen een olijfgroene kruin rond het gele gezicht, tot een gedeeltelijke zwarte kap bij oudere vrouwtjes. Beide seksen hebben veel wit op de binnenvlaggen van de buitenste staartpennen, zichtbaar wanneer de staart wordt gespreid. Geen vleugelstrepen.
Verwarringssoorten
De Wilsons zanger Cardellina pusilla is kleiner, heeft geen wit in de staart, en het mannetje heeft alleen een zwart petje. De Kentuckyzanger Geothlypis formosa heeft een gele bril en zwarte bakkebaarden onder het oog. Vrouwtjes van de gewone maskerzanger Geothlypis trichas zijn bruiner, met een witachtige buik en zonder staartvlekken. Het ronde gele gezicht en de witte staartvlekken zijn bij de monnikszanger de beste kenmerken.
Leefgebied
Onderlaag en struiklaag van vochtig en halfgroen loofbos, kustbos en schaduwkoffieplantages, ook dichte bosranden; op de eilanden vooral in het laagland. In het overwinteringsgebied houden mannetjes vaker territoria in hoog, gesloten bos en vrouwtjes vaker in struikgewas en jong bos. Vangt insecten laag bij de grond, met korte vluchten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Schaarse wintergast en doortrekker op de Bahama's, Cuba, de Kaaimaneilanden en Jamaica. Zeldzaam op Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico en de Maagdeneilanden; dwaalgast in de Kleine Antillen, op Trinidad en Tobago en de ABC-eilanden. Broedt in het oosten van de Verenigde Staten en het uiterste zuiden van Canada en overwintert vooral van het oosten van Mexico tot Panama.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De meeste kans in het najaar en het voorjaar in de onderlaag van bos op Cuba, de Bahama's en de Kaaimaneilanden. Het metaalachtige tsjink verraadt de vogel meestal eerder dan het zicht; daarna is het telkens spreiden van de staart met de witte vlekken een aanknopingspunt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De populatie is in de laatste decennia toegenomen en het broedgebied is naar het noorden uitgebreid. Versnippering van bos in het broedgebied en bosverlies in Midden-Amerika zijn de belangrijkste bedreigingen.
Wetenschappelijke naam
Setophaga citrina | (Boddaert, 1783)
Boddaert beschreef de soort in 1783 als Muscicapa citrina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. citrina is Latijn voor 'citroengeel', naar het gele gezicht en de gele onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Louisiana, Verenigde Staten.



