Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Fluweeltangare
Fluweeltangare | Ramphocelus carbo
Silver-beaked Tanager | Tangara picoplata
De fluweeltangare is een algemene, luidruchtige tangare van bosranden, plantages en tuinen op Trinidad. Het mannetje valt op door het donkere, fluweelachtige verenkleed en de verdikte, zilverwitte ondersnavel, die in de schaduw van het struikgewas lijkt op te lichten. De soort leeft vaak in kleine, beweeglijke groepen.
Geluid
Roepen zijn een hard, metalig tsjep en een luid tsjink, vaak in paren gegeven, en een dunne, oplopende piepende toon. De zang is een zachte, wat piepende reeks korte, herhaalde frasen.
Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
16–17 cm, met een zware snavel met een brede basis. Bij het mannetje is de bovensnavel donker blauwgrijs en de vergrote ondersnavel zilverwit met een zwarte punt. Het verenkleed is zeer donker karmijnrood, bij de meeste lichtval bijna zwart, met de keel en borst duidelijker dieprood; vleugels en staart zijn zwartachtig. Het vrouwtje heeft een geheel donkere, bruinachtige snavel en is donker roodbruin, met dofbruine vleugels en een roodbruine onderkant met een grijzige zweem op de borst. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.
Verwarringssoorten
Het vrouwtje van de zwarte tangare Tachyphonus rufus is helderder en egaler roestbruin, zonder donkere buik, en heeft een slankere snavel. De rode miertangare Habia rubica is bruiner, met een gele kruinstreep, en blijft meer in het binnenste van het bos. Het mannetje onderscheidt zich in het gebied door de zilverwitte ondersnavel en het donkere, roodachtige verenkleed.
Leefgebied
Halfopen landschap: bosranden, open plekken, secundair bos, struweel langs beken, plantages, erven en tuinen. Foerageert in luidruchtige groepen van soms tien of meer vogels, van de grond tot een meter of twaalf hoog, en hoger in vruchtdragende bomen. Eet vooral vruchten, onder meer bessen van Melastomataceae, en geleedpotigen die van het blad worden gepakt. Op Trinidad loopt het broedseizoen van december tot september. Het nest is een diepe kom van dode bladeren en vezels, meestal laag in een struik; soms broeden paren dicht bij elkaar of helpen andere vogels bij het voeren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
In het gebied alleen op Trinidad, waar de soort algemeen is in de laaglanden en heuvels. Op Tobago ontbreekt ze. De vogels van Trinidad worden tot de ondersoort magnirostris gerekend. Verder in een groot deel van Zuid-Amerika ten oosten van de Andes, van Colombia en Venezuela tot Bolivia, Paraguay en Brazilië. Losse meldingen van de Dominicaanse Republiek en Martinique hebben vermoedelijk betrekking op ontsnapte kooivogels.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Trinidad vrijwel overal waar struikgewas aan open terrein grenst, bijvoorbeeld bij het Asa Wright Nature Centre, waar de vogels ook bij voederplaatsen komen. De groepen verraden zich door de harde roepen; een goede blik op de snavel bevestigt een mannetje.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is in een groot deel van haar verspreidingsgebied algemeen en past zich goed aan secundaire begroeiing en cultuurland aan.
Wetenschappelijke naam
Ramphocelus carbo | (Pallas, 1764)
Pallas beschreef de soort in 1764 als Lanius (Carbo); omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ramphocelus werd in 1805 ingevoerd door Desmarest, A-G. Ramphocelus is Grieks, van rhamphos 'snavel' en koilos 'hol, concaaf', naar de opvallend gevormde, zilverwitte ondersnavel. carbo is Latijn voor 'houtskool', naar het zeer donkere, fluweelachtige verenkleed van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Suriname.





