Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Tweekleurige spitssnavel

Tweekleurige spitssnavel | Conirostrum bicolor

Bicolored Conebill | Conirrostro bicolor

De tweekleurige spitssnavel is een kleine, onopvallende tangare die in het gebied vrijwel alleen in de mangroven van Trinidad leeft. Ondanks de naam heeft hij een fijne, puntige snavel en lijkt hij in gedrag meer op een zanger dan op een typische tangare. Hij zoekt beweeglijk tussen de bladeren naar kleine insecten.

Tweekleurige spitssnavel (Conirostrum bicolor)
Foto: Ingeborg van Leeuwen https://www.flickr.com/photos/44614344@N07 — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een dun, hoog tsiep. De zang is een zachte, snelle reeks dunne tonen die vaak wegvalt tussen de geluiden van de mangrove.

Luister: ZangXC425356

Opname: Marcelo Jordani Feliti — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm, klein, met een korte staart en een scherp gepunte, licht kegelvormige snavel. Volwassen vogels zijn van boven grijsblauw en van onder grijs met een zweem van zeemkleur. De handpennen zijn blauwachtig met bruine randen. Het oog is rood, de poten zijn roze. De seksen zijn gelijk; het vrouwtje is soms iets doffer. Jonge vogels zijn van boven groenig en van onder lichtgeel, met een donker oog; sommige vogels broeden al in dit onvolwassen kleed.

Verwarrings­soorten

Het suikerdiefje Coereba flaveola heeft een donkere kop met een witte wenkbrauwstreep, een gebogen snavel en een gele borst en stuit. Het vrouwtje van de blauwe pitpit Dacnis cayana is helder groen met een blauwachtige kop. De mangrovezanger Setophaga petechia is geler dan een jonge spitssnavel en heeft gele randen aan de vleugelveren. Een volwassen vogel is door het effen grijsblauw en het rode oog goed te herkennen.

Leefgebied

Mangroven en andere moerasbossen langs de kust, vooral waar rode en zwarte mangrove dicht op elkaar staan. Buiten het gebied komt een tweede populatie voor op eilanden in de Amazone, waar de soort jonge oeverbegroeiing gebruikt. Foerageert in paren of kleine groepen, vaak met andere soorten, in het bladerdak en de middelste laag van de mangrove, op kleine insecten en andere ongewervelden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen op Trinidad, in de mangroven langs de westkust, vooral in de Caroni Swamp; uit andere mangrovegebieden op het eiland zijn ook meldingen bekend. Op Tobago ontbreekt de soort. Verder langs de kust van het noorden van Zuid-Amerika, van Colombia en Venezuela tot de Guyana's en Brazilië, en langs de Amazone tot in het noordoosten van Peru.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De boottochten door de Caroni Swamp aan het eind van de middag geven de beste kans, vooral langs de kanalen waar de mangrove dicht tegen het water staat. De vogels zijn klein en beweeglijk en verraden zich vaak eerst door de dunne roep.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De soort is gebonden aan mangroven en oeverbegroeiing en gaat achteruit door de kap, drooglegging en vervuiling van mangrovegebieden langs de kust van Zuid-Amerika. Op Trinidad is de Caroni Swamp beschermd, maar ook daar staat de mangrove onder druk.

Wetenschappelijke naam

Conirostrum bicolor | (Vieillot, 1809)

Vieillot beschreef de soort in 1809 als Sylvia bicolor; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Conirostrum werd in 1838 ingevoerd door D'Orbigny, ACVMD & de Lafresnaye. Conirostrum is Latijn, van conus 'kegel' en rostrum 'snavel', naar de fijne, spits-kegelvormige snavel. bicolor is Latijn voor 'tweekleurig', naar de blauwgrijze bovendelen en lichte, geelbruine onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana (later aangewezen).