Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Forsters stern

Forsters stern | Sterna forsteri

Forster's Tern | Charrán de Forster

De Forsters stern broedt vrijwel alleen in Noord-Amerika, in moerassen in het binnenland en langs de kust. Hij overwintert van de zuidelijke Verenigde Staten tot Midden-Amerika en bereikt het Caribisch gebied vooral in het noordwesten, op Cuba, de Bahama's en de Kaaimaneilanden. In winterkleed is hij de stern met het zwarte 'masker' door het oog.

Forsters stern (Sterna forsteri)
Foto: Dick Daniels (https://theworldbirds.org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een laag, nasaal en afdalend kjarr of kerr, lager en ruwer dan bij de visdief; bij dreiging een schor zaar.

Luister: VluchtroepXC883553

Opname: Valerie Heemstra — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

33–36 cm, slank, met een lange, diep gevorkte staart, vrij lange poten en een dunne snavel. In broedkleed een volledig zwarte kap, een oranje snavel met zwarte punt en oranjerode poten; de bovenkant van de handpennen is zilverwit, lichter dan de rug. In winterkleed, waarin de vogels hier meestal verschijnen, is de kop wit met een afgeronde zwarte vlek door en achter het oog, en is de snavel zwart; de achterkop is wit of licht grijsachtig. De bovendelen zijn lichtgrijs, de stuit wit en de staart grijs met witte buitenranden. Eerstejaars vogels lijken op winteradulten, met donkerder handpennen en een kortere staart.

Verwarrings­soorten

De visdief Sterna hirundo heeft in winterkleed een zwarte band van oog tot achterkop in plaats van een losse oogvlek, een donkere wig in de handpennen, een donkere schoudervlek en kortere poten. De lachstern Gelochelidon nilotica heeft eveneens een donkere oogvlek in de winter, maar is forser, met een dikke, korte zwarte snavel, een kortere staart en zwarte poten. Ook de grote stern Thalasseus sandvicensis is groter en heeft een ruige kuif en een gele snavelpunt.

Leefgebied

Beschutte, ondiepe kustwateren: lagunes, zoutpannen, ondiepe baaien, slikvlakten en riviermondingen, en ook brakke en zoete plassen in het binnenland en kanalen bij de kust. Jaagt door te bidden en naar vis te duiken, en vangt ook insecten boven het water. Rust op palen, boeien en zandbanken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Op Cuba, de Bahama's en de Kaaimaneilanden een schaarse maar geregelde wintergast. Op Puerto Rico en Jamaica zeldzaam en van San Andrés, de Turks- en Caicoseilanden, Hispaniola, Guadeloupe, Sint-Maarten, Sint Kitts, Saint Vincent, de Maagdeneilanden en Aruba slechts enkele gevallen. Buiten het gebied broedt de soort in de prairiemoerassen van Canada en de Verenigde Staten en langs de Atlantische en Golfkust; ze overwintert van de zuidelijke Verenigde Staten tot Guatemala en Honduras.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het meeste kans geven de lagunes en zoutpannen langs de noordkust van Cuba en de ondiepe wateren van de Bahama's in de winter. De afgeronde zwarte oogvlek op een witte kop is het kenmerk dat de soort het snelst verraadt; een vogel met een zwarte band die de oogvlek met de achterkop verbindt is eerder een visdief.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De populatie is redelijk stabiel, maar de soort is in het broedgebied afhankelijk van moerassen, die door ontwatering en verandering van waterstanden achteruitgaan.

Wetenschappelijke naam

Sterna forsteri | Nuttall, 1834

Nuttall beschreef de soort in 1834 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sterna werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Sterna gaat terug op het Oudengelse stearn, dat voorkomt in het gedicht The Seafarer; de Friezen gebruikten een verwant woord voor sterns. forsteri eert de Duitse natuuronderzoeker Johann Reinhold Forster (1729–1798), die met Cook meevoer op diens tweede reis. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Saskatchewan in Canada.