Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Gevlekte ral

Gevlekte ral | Pardirallus maculatus

Spotted Rail | Rascón pinto

De gevlekte ral is een middelgrote ral met een zwart-wit gevlekt en gestreept verenkleed, een lange groengele snavel en rode ogen. Hij leeft verborgen in dichte moerasvegetatie en rijstvelden en wordt veel vaker gehoord dan gezien. In het Caribisch gebied is hij plaatselijk en schaars op Cuba, Hispaniola en Jamaica, waar hij lange tijd als verdwenen gold.

Gevlekte ral (Pardirallus maculatus)
Foto: Hector Bottai — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, raspend, kreunend gekrijs, meestal voorafgegaan door een grom of plop, en een versnellende reeks diepe, schorre, pompende tonen. Roept ook 's nachts.

Luister: ZangXC943860

Opname: José Menéndez — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

25–28 cm; het vrouwtje is iets kleiner dan het mannetje. Kop en hals zijn zwartachtig met fijne witte stippen. De bovendelen zijn zwart en bruin, met witte strepen en vlekken. De onderdelen zijn zwartachtig met dichte witte stippen op de borst en witte dwarsbanden op buik en flanken; de onderstaartdekveren zijn wit. De snavel is lang en groengeel met een rode vlek aan de basis van de ondersnavel; het oog is rood, de poten roze tot rood. Jonge vogels zijn bruiner en minder scherp getekend, met een doffere snavel. Vliegt zelden en dan kort, met hangende poten.

Verwarrings­soorten

Geen andere ral in het gebied heeft dit gestippelde zwart-witte verenkleed. De zapataral Mustelirallus cerverai, die alleen in het Zapata-moeras leeft, is leigrijs en olijfbruin zonder stippen. De koningsral Rallus elegans en de klapperral Rallus crepitans zijn groter, bruiner en hebben alleen gebande flanken. De soraral Porzana carolina is kleiner, met een korte, dikke gele snavel.

Leefgebied

Zoetwatermoerassen met dichte, hoge vegetatie, natte graslanden, overstroomde weiden en rijstvelden; vaak waar ondiep water en dekking samengaan. Foerageert in ondiep water en aan de rand van de vegetatie op regenwormen, insecten, kleine vissen en plantenmateriaal, vooral in de schemering. Bouwt een nest van gras dicht bij de grond in de moerasvegetatie.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Op Cuba plaatselijk in moerassen en rijstvelden, onder meer in het Zapata-moeras en in de laaglanden. Op Hispaniola zeldzaam en slechts van enkele plaatsen bekend, vooral in de Dominicaanse Republiek. Op Jamaica in 1863 voor het eerst vastgesteld, daarna ruim een eeuw niet gevonden en in 1977 herontdekt in het Black River-moeras, waar sinds 2012 broeden is vastgesteld. Op Trinidad een zeldzame gast met slechts enkele waarnemingen. Buiten het gebied in Mexico en Midden-Amerika en in een groot deel van Zuid-Amerika, tot in Argentinië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het meest kans in de schemering aan de rand van rijstvelden en moerassen, waar de vogels kort uit de dekking kunnen komen. De roep geeft meestal de eerste aanwijzing. Op Cuba in en rond het Zapata-moeras; op Jamaica in de Upper Morass van het Black River-systeem. Geduldig wachten bij een open plek in de vegetatie levert meer op dan rondlopen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het Caribisch gebied zeldzaam en plaatselijk en waarschijnlijk vaak over het hoofd gezien. Het droogleggen en in cultuur brengen van moerassen, branden en predatie door ingevoerde mangoesten en ratten vormen bedreigingen; rijstvelden bieden plaatselijk vervangend leefgebied.

Wetenschappelijke naam

Pardirallus maculatus | (Boddaert, 1783)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Rallus maculatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pardirallus werd in 1856 ingevoerd door Bonaparte. Pardirallus combineert Grieks pardos 'luipaard' met Rallus 'ral': een 'luipaardral', naar het gevlekte verenkleed. maculatus is Latijn voor 'gevlekt', naar de witte vlekken en strepen op het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana.