Alle soorten › Kolibries en gierzwaluwen › Kolibries › Granaatkolibrie
Granaatkolibrie | Eulampis jugularis
Purple-throated Carib | Colibrí caribeño gorjimorado
De granaatkolibrie is een grote, donkere kolibrie van de bergbossen van de Kleine Antillen en de enige soort ter wereld met een granaatrode keel op een vrijwel zwart lichaam. Samen met de groenkeelkolibrie vormt hij het geslacht Eulampis, dat alleen in de Kleine Antillen en op de Maagdeneilanden voorkomt. Het is een van de best onderzochte voorbeelden van samenspel tussen kolibrie en bloem: de snavel van het vrouwtje past bij de gebogen bloemen van Heliconia, die van het mannetje bij rechtere bloemen.
Geluid
Een scherp, krachtig tsjoep of tsip, bij opwinding snel herhaald. Bij achtervolgingen en confrontaties klinken ratelende reeksen; mannetjes zijn uitgesproken territoriaal bij bloeiende bomen en voerflessen.
Opname: Jack Baddams — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
11–12 cm, met een gebogen zwarte snavel; die van het vrouwtje is merkbaar langer en sterker gebogen dan die van het mannetje. Lichaam fluweelzwart, bij goed licht met een blauwe of purperen glans. Keel en borst granaat- tot purperrood, glanzend in direct licht. De vleugeldekveren zijn helder metaalgroen en vormen in rust een groen paneel tegen het zwarte lichaam. Staart blauwzwart, de onderstaartdekveren donker. De seksen zijn verder gelijk; jonge vogels hebben een doffere keel met roestbruine zomen.
Verwarringssoorten
De groenkeelkolibrie Eulampis holosericeus heeft hetzelfde postuur en dezelfde gebogen snavel, maar keel en borst zijn glanzend groen met een blauwe vlek op de borst, en de bovendelen zijn groen in plaats van zwart. In slecht licht lijken beide donker; de groene vleugelvlek en de rode keel zijn dan het beste kenmerk. De antilliaanse kuifkolibrie Orthorhyncus cristatus is veel kleiner en heeft een korte, rechte snavel. De blauwkopkolibrie Riccordia bicolor van Dominica en Martinique is kleiner, met een rechte snavel en een groen lichaam.
Leefgebied
Het binnenste en de randen van regenwoud en nevelwoud, vooral tussen ongeveer 800 en 1.200 m, maar op sommige eilanden, zoals Dominica en Sint-Eustatius, ook lager in vochtig secundair bos en in bananen- en fruitplantages. Daalt buiten het broedseizoen af naar lagere hoogten en komt dan ook in tuinen. Bezoekt vooral bloeiende Heliconia en bomen; vangt daarnaast insecten in de vlucht.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Standvogel op Saba, Sint-Eustatius, Saint Kitts, Nevis, Montserrat, Guadeloupe, Dominica, Martinique, Saint Lucia en Saint Vincent; schaars op Antigua. Op Grenada, Barbados, Barbuda, Sint-Maarten en Puerto Rico alleen als zeldzame gast of dwaalgast vastgesteld. Komt buiten de Kleine Antillen niet voor.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Te vinden bij voerflessen en bloeiende Heliconia aan de rand van de bergbossen van Dominica, Saint Lucia en Guadeloupe. Een vogel die een bloem of voerfles fel verdedigt en in de zon een rode keel en groene vleugels laat zien, is vrijwel zeker deze soort.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is op de meeste eilanden algemeen in bergbos. Orkanen kunnen de bloei en daarmee de aantallen tijdelijk sterk doen afnemen; verlies van bergbos is de voornaamste bedreiging op de lange termijn.
Wetenschappelijke naam
Eulampis jugularis | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Trochilus jugularis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eulampis werd in 1831 ingevoerd door Boie. Eulampis is Grieks, van eu 'fraai, goed' en lampis 'lamp, fakkel': 'fraai stralend', naar het glanzende verenkleed. jugularis is Latijn voor 'van de keel' (jugulum), naar de granaatrode keel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kleine Antillen (oorspronkelijk abusievelijk Cayenne en Suriname).




