Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Grote geelpootruiter
Grote geelpootruiter | Tringa melanoleuca
Greater Yellowlegs | Archibebe patigualdo grande
De grote geelpootruiter is een grote, luidruchtige ruiter met lange gele poten, die vaak als eerste alarm slaat wanneer een groep steltlopers wordt verstoord. In het Caribisch gebied is hij een algemene wintergast en doortrekker op zoutpannen, lagunes en ondergelopen terreinen, meestal in kleinere aantallen dan de kleine geelpootruiter.
Geluid
Een luid, helder en dalend tjuu-tjuu-tjuu in een reeks van drie of vier tonen, dringender dan bij de kleine geelpootruiter; vaak gegeven bij het opvliegen. In het voorjaar ook een herhaald, rollend tuwie-tuwie.
Opname: Don Profota — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
29–33 cm, fors en langpotig, met felgele poten en een lange snavel van ongeveer anderhalf keer de kopslengte, die vaak licht opgewipt is en in de winter een grijzige basis heeft. In het winterkleed grijs van boven met witte stippen en randjes, wit van onder met een fijn gestreepte hals en borst en een witte oogring. In broedkleed zijn de bovendelen zwart, grijs en wit geblokt en zijn borst en flanken zwaar zwart gestreept en gevlekt. In vlucht donkere vleugels zonder vleugelstreep, een vierkante witte stuit en een gebandeerde staart.
Verwarringssoorten
De kleine geelpootruiter Tringa flavipes is kleiner en fijner, met een rechte, dunne, egaal donkere snavel van kopslengte en een zachtere roep van één of twee tonen. De willet Tringa semipalmata is grijzer en zwaarder, met grijze poten, een dikke rechte snavel en in vlucht een zwart-wit vleugelpatroon. De marmergrutto Limosa fedoa is kaneelbruin, met een lange, tweekleurige, opgewipte snavel.
Leefgebied
Zoutpannen, brakke lagunes, getijdenslik, mangroveranden, vijvers, ondergelopen weilanden, rijstvelden en zuiveringsvijvers. Foerageert in dieper water dan de meeste steltlopers, vaak rennend achter kleine visjes aan, en vangt daarnaast kreeftachtigen en insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Wintergast en doortrekker in het hele gebied: de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, de Grote Antillen, de Kaaimaneilanden, de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen, de ABC-eilanden, San Andrés en Trinidad en Tobago, op de meeste eilanden vrij algemeen. De eerste vogels arriveren in juli, de aantallen zijn het grootst tijdens de herfsttrek en in de winter, en de laatste vertrekken in april en mei. Enkele vogels blijven de zomer over. Buiten het gebied broedt de soort in de boreale moerassen van Alaska en Canada en overwintert ze van de kusten van de Verenigde Staten tot het zuiden van Zuid-Amerika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op zoutpannen en lagunes waar steltlopers rusten; de luide reeks bij het opvliegen verraadt de soort meestal eerder dan het zicht. In gemengde groepen met de kleine geelpootruiter loont het om naast elkaar staande vogels op formaat en snavelvorm te vergelijken.
Staat van instandhouding
Gevoelig. De IUCN noemt een afname, waarbij verlies van pleisterplaatsen en de jacht op steltlopers in het Caribisch gebied en het noorden van Zuid-Amerika een rol spelen; op Barbados en de Franse Antillen wordt ook deze soort tijdens de herfsttrek geschoten.
Wetenschappelijke naam
Tringa melanoleuca | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Scolopax melanoleuca; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tringa werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. melanoleuca is Grieks, van melas 'zwart' en leukos 'wit', naar het zwart-wit getekende verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Château Bay in Labrador.






