Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Willet
Willet | Tringa semipalmata
Willet | Playero aliblanco
De willet is een grote, grijze ruiter van kusten, mangroven en lagunes, die in rust weinig tekening toont maar bij het opvliegen een kenmerkend zwart-wit vleugelpatroon laat zien. De naam is ontleend aan de roep. De oostelijke ondersoort Tringa semipalmata semipalmata broedt langs de Atlantische kust van Noord-Amerika en op de Caribische eilanden; de westelijke T. s. inornata broedt in de prairies. Beide worden geregeld als aparte soorten voorgesteld, omdat ze in verspreiding, gedrag, bouw, roep en genetica verschillen.
Geluid
In de broedtijd een luid, ritmisch pil-wil-willet, vaak in vlucht of vanaf een paal of mangrovetak. Verder een helder klie-ie en bij verstoring een snel kip-kip-kip.
Opname: Ed Pandolfino — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
33–41 cm, fors, met een dikke, rechte, donkere snavel met lichtere basis en dikke blauwgrijze poten. In het winterkleed egaal lichtgrijs van boven en wit van onder, met een lichte streep tussen snavel en oog en een witte oogring. In broedkleed bruingrijs met donkere bandering en strepen op kop, hals, borst en flanken. In vlucht toont de bovenvleugel een brede witte band over de donkere handpennen en de ondervleugel zwart met wit; de stuit is wit, de staart grijs. Vrouwtjes zijn iets groter dan mannetjes.
Verwarringssoorten
De grote geelpootruiter Tringa melanoleuca heeft felgele poten, een dunnere, vaak opgewipte snavel, gestippelde bovendelen en geen vleugelpatroon. De marmergrutto Limosa fedoa is kaneelbruin, met een lange, tweekleurige, opgewipte snavel. De Amerikaanse regenwulp Numenius hudsonicus heeft een gebogen snavel en een gestreepte kop. In vlucht is het vleugelpatroon van de willet in het gebied uniek.
Leefgebied
Getijdenslik, mangroveranden, zoutpannen, brakke lagunes, zandstranden en rotskusten; zelden ver van zout of brak water. Foerageert lopend en prikkend in slik en zand, vooral op krabben, wormen en weekdieren. Het nest is een kuiltje in kort gras of tussen lage begroeiing achter de kust, vaak in losse groepen; ouders met jongen zijn luidruchtig en vallen indringers aan.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Broedvogel op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, Hispaniola en Puerto Rico, op dat laatste eiland plaatselijk; ook broedgevallen op de Maagdeneilanden en enkele andere eilanden. In de winter aangevuld met vogels uit Noord-Amerika. Elders, op de Kaaimaneilanden, Jamaica, de Kleine Antillen, de ABC-eilanden, San Andrés en Trinidad en Tobago, vooral wintergast en doortrekker in wisselende aantallen. Buiten het gebied broedt de oostelijke ondersoort van Newfoundland tot de Golf van Mexico, de westelijke in het binnenland van West-Noord-Amerika; de soort overwintert van de Verenigde Staten tot Noord-Chili en Zuid-Brazilië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op getijdenslik en langs mangroveranden, waar losse vogels verspreid foerageren. In de broedtijd, van april tot juli, verraden luid roepende vogels op palen en in mangroven de broedplaatsen; bij het opvliegen is het vleugelpatroon direct herkenbaar.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. In de negentiende eeuw zwaar bejaagd en uit grote delen van het broedgebied verdwenen, daarna weer hersteld. Kustbebouwing, verstoring van broedplaatsen en verlies van mangrove en zoutpannen vormen in het Caribisch gebied de belangrijkste bedreigingen.
Wetenschappelijke naam
Tringa semipalmata | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Scolopax semipalmata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tringa werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. semipalmata is Latijn, van semi 'half' en palmatus 'met zwemvliezen', naar de korte vliezen tussen de tenen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit New York.




