Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Grote hagedissenkoekoek
Grote hagedissenkoekoek | Coccyzus merlini
Great Lizard Cuckoo | Cuco lagartero mayor
De grote hagedissenkoekoek, op Cuba arriero genoemd, is de grootste van de vier Antilliaanse hagedissenkoekoeken. Hij leeft op Cuba, de Isla de la Juventud en een deel van de Cubaanse cayos, en daarnaast op enkele eilanden van de Bahama's. Op Cuba is hij in vrijwel elk bosgebied te vinden; hij zweeft van boom tot boom en heeft een lange staart, die ongeveer de helft van zijn lengte uitmaakt.
Geluid
Een keelachtig ka-ka-ka-ka-ka-ka-kau-kau-ko-ko, waarvan het tweede deel geleidelijk luider wordt. Daarnaast diverse kortere, schorre roepen.
Opname: Lionel FREDERIC — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
42–54 cm, waarvan ongeveer de helft staart. De snavel is lang en bijna recht, met een zwarte of donkere bovensnavel en een lichtere ondersnavel; rond het oog zit rode tot oranje naakte huid. Kruin, nek en bovendelen zijn olijfbruin. De handpennen zijn roodbruin, maar die kleur is vaak alleen in vlucht te zien. De keel is witachtig, wangen en borst lichtgrijs, de buik roodbruin. Het middelste staartpenpaar is grijs, de overige pennen grijs met brede witte punten. Vogels van de Bahama's zijn kleiner en grijzer van boven, met een okerkleurige zweem op de buik. Jonge vogels hebben smallere staartpennen met vage witte punten en gele huid rond het oog.
Verwarringssoorten
Op Cuba en de Bahama's komt geen andere hagedissenkoekoek voor. De mangrovekoekoek Coccyzus minor en de geelsnavelkoekoek Coccyzus americanus zijn veel kleiner en hebben een kortere, duidelijk gebogen snavel met gele ondersnavel; de eerste heeft een zwart masker en een okerkleurige onderzijde, de tweede is van onderen wit.
Leefgebied
Volgroeid halfgroen en groenblijvend bos, secundair bos, savanne met bomen en struweel, van zeeniveau tot ten minste 1250 m. Foerageert vooral van de middelste laag tot in de kroon, rennend langs takken en glijdend van boom naar boom. Eet hagedissen, volwassen insecten en larven van allerlei families, jonge vogels, kikkers, slangen en soms kleine zoogdieren, zaden of vruchten. Het legsel telt twee of drie eieren; op Cuba loopt de broedtijd van april tot oktober, op de Bahama's valt hij in elk geval in april en mei.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Op Cuba drie ondersoorten: Coccyzus merlini merlini op het hoofdeiland en Cayo Conuco en Cayo Saetía voor de noordkust, Coccyzus merlini santamariae op een reeks kleinere cayos voor de noordkust van midden-Cuba, en Coccyzus merlini decolor op de Isla de la Juventud. Op de Bahama's leeft Coccyzus merlini bahamensis, op Andros, New Providence, Eleuthera en Harbour Island. Buiten dit gebied komt de soort niet voor.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Cuba in vrijwel elk bosgebied, onder meer op het schiereiland Zapata en in de Sierra del Rosario. Op de Bahama's is Andros de beste plek. De vogel zit vaak lang stil in het binnenste van een boom; hij valt meestal op wanneer hij met de lange staart achter zich aan van de ene boomkroon naar de andere glijdt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Op Cuba is de soort algemeen. De kleine populatie van de Bahama's wordt geschat op 2500 tot 10.000 volwassen vogels en geldt als kwetsbaarder dan de Cubaanse; ze is beperkt tot vier eilanden.
Wetenschappelijke naam
Coccyzus merlini | (d'Orbigny, ACVMD, 1839) (GBIF: Saurothera merlini)
D'Orbigny, ACVMD beschreef de soort in 1839 als Saurothera merlini; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Coccyzus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Coccyzus is Grieks, van kokkuzō 'koekoek roepen', naar de roep van de koekoek. merlini eert de in Havana geboren schrijfster en musicienne María de las Mercedes Santa Cruz y Montalvo, gravin van Merlin (1788–1852). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cuba.



