Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Grote kuiftiran

Grote kuiftiran | Myiarchus crinitus

Great Crested Flycatcher | Copetón viajero

De grote kuiftiran is een broedvogel van het oosten van Noord-Amerika die overwintert in het zuiden van Mexico, Midden-Amerika en het noorden van Zuid-Amerika. Het Caribisch gebied ligt aan de rand van de trekroute: vooral op Cuba en de noordelijke eilanden wordt de soort tijdens de trek en in de winter waargenomen.

Grote kuiftiran (Myiarchus crinitus)
Foto: Mike's Birds — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, stijgend wiiep en een rollend prrrriet; in de winter is de soort stiller dan in het broedgebied.

Luister: ZangXC1036369

Opname: Bobby Wilcox — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

18–21 cm, met een volle, borstelige kuif. De bovendelen zijn olijfbruin. Keel en borst zijn helder grijs en sluiten scherp aan op de felgele buik. De handpennen en de binnenvlaggen van de staartpennen zijn roestbruin, en de binnenste armpennen hebben een witte rand. De snavel is zwart met een lichte, bruinroze basis van de ondersnavel. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De La Sagra's tiran Myiarchus sagrae van Cuba, de Bahama's en de Kaaimaneilanden is kleiner en slanker, met een grijswitte onderzijde zonder fel geel. De oranjestaarttiran Myiarchus validus van Jamaica heeft roestbruin in vleugels en staart, maar een minder scherp contrast tussen grijze borst en gele buik. De cayennetiran Myiarchus tyrannulus, die het gebied alleen in het zuiden bewoont, heeft een bleker grijze borst en een lichtere gele buik en een geheel zwarte snavel.

Leefgebied

In het gebied bos en bosranden, zowel droog als vochtig loofbos, kustbos en soms pijnbos. Zoekt zijn voedsel in de hogere lagen van het bos, vanaf een zitplaats uitvallend naar insecten; eet in de winter ook bessen en kleine vruchten. In het broedgebied nestelt hij in boomholten en verwerkt vaak afgeworpen slangenhuid in het nest.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Op Cuba een schaarse doortrekker en zeldzame wintergast, vooral in het westen; op de Bahama's, de Kaaimaneilanden en Jamaica zeldzaam; verder oostelijk een dwaalgast. Broedt van het zuiden van Canada tot de Golfkust en Florida en overwintert van Zuid-Florida en het zuiden van Mexico door Midden-Amerika tot Colombia en Venezuela.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kans is in het westen van Cuba tijdens de trek in het voor- en najaar. Een Myiarchus met een felgele buik en veel roestbruin in de staart op Cuba of de Bahama's is eerder deze soort dan de La Sagra's tiran.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is algemeen in het broedgebied en profiteert daar van nestkasten en oude, holle bomen.

Wetenschappelijke naam

Myiarchus crinitus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als [Turdus] crinitus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Myiarchus werd in 1844 ingevoerd door Cabanis. Myiarchus is Grieks, van muia 'vlieg' en arkhos 'heerser': 'vliegenvorst'. crinitus is Latijn voor 'langharig', naar de borstelige kuif. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.