Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Huismus
Huismus | Passer domesticus
House Sparrow | Gorrión común
De huismus komt van nature voor in Europa, Noord-Afrika en grote delen van Azië en is door de mens over vrijwel de hele wereld verspreid. In het Caribisch gebied werd hij in de 19e eeuw op Cuba ingevoerd; sindsdien heeft hij zich, vooral via havens en steden, over de Grote Antillen en de Bahama's verspreid. Op de Kleine Antillen werd de eerste vestiging in 1999 op Sint-Maarten en Guadeloupe vastgesteld, en de soort breidt zich daar nog steeds uit.
Geluid
Een veelvuldig herhaald tsjilp, dat in de broedtijd tot een eentonige zang wordt aaneengeregen, en bij onrust een ratelend tsjrrr. Groepen maken bij gemeenschappelijke slaapplaatsen veel geluid.
Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
14–16 cm, stevig gebouwd, met een korte, kegelvormige snavel. Het mannetje heeft een grijze kruin, een kastanjebruine band van achter het oog naar de nek, grijswitte wangen en een zwarte bef die in de broedtijd groter en donkerder is. Rug en vleugels zijn bruin met zwarte strepen en een smalle witte vleugelstreep; de onderdelen zijn grijs. De snavel is in de broedtijd zwart, daarbuiten geelachtig met een donkere punt. Het vrouwtje is bruin met zwartachtige strepen van boven en effen grijsbruin van onder, met een lichte wenkbrauwstreep achter het oog en een geelachtige snavel. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.
Verwarringssoorten
Mannetjes hebben in het gebied geen gelijkende soorten. Het vrouwtje van de dickcissel Spiza americana heeft een gelige wenkbrauwstreep, een geel getinte borst en roodbruine kleine vleugeldekveren. De sprinkhaangors Ammodramus savannarum is kleiner, met een korte staart en een geelbruine, gestreepte kop. De roodkraaggors Zonotrichia capensis op Hispaniola heeft een grijze kop met zwarte strepen en een kuifje en een roodbruine halsband.
Leefgebied
Steden, dorpen, havens, luchthavens, tankstations, boerderijen en hotelterreinen, vrijwel altijd dicht bij de mens; buiten bebouwing nauwelijks. Eet zaden, kruimels en ander voedselafval, en voert de jongen vooral met insecten. Het nest is een rommelige prop van gras en veren in gaten en nissen in gebouwen, onder dakranden, in lantaarnpalen of in palmen, soms als vrijstaand bolnest in een boom.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Gevestigd op Cuba, de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico met Vieques, Culebra en Mona, de Amerikaanse en Britse Maagdeneilanden, en op Aruba, Bonaire en Curaçao. Op de Kleine Antillen gevestigd op onder meer Anguilla, Sint-Maarten, Saint-Barthélemy, Saint Kitts en Nevis, Antigua, Guadeloupe, Saint Lucia en Saint Vincent; schaars op Barbados en Grenada. Losse waarnemingen van Dominica, Montserrat, Martinique en Trinidad. Daarbuiten van nature in Europa, Noord-Afrika, het Midden-Oosten en grote delen van Azië; ingevoerd in Noord- en Zuid-Amerika, zuidelijk Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In vrijwel elke stad en haven op de Grote Antillen, de Bahama's en de ABC-eilanden, vaak bij terrassen, markten en tankstations. Op de Kleine Antillen is de verspreiding nog in beweging; waarnemingen van eilanden waar de soort nog niet gevestigd is, zijn de moeite van het doorgeven waard.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, al is de soort in delen van Europa sterk afgenomen. In het Caribisch gebied een exoot in uitbreiding, die nog steeds nieuwe eilanden koloniseert.
Wetenschappelijke naam
Passer domesticus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla domestica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passer werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Passer is het Latijnse woord voor 'mus'. domesticus is Latijn voor 'bij het huis horend', naar het leven van de vogel in de nabijheid van de mens. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


