Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Tijgervink
Tijgervink | Amandava amandava
Red Avadavat | Bengalí rojo
De tijgervink is een kleine prachtvink uit Zuid- en Zuidoost-Azië, als kooivogel wijd verbreid. Op Puerto Rico is hij sinds 1971 in het wild bekend; daarnaast is hij gevestigd op Guadeloupe en Martinique. Het mannetje in broedkleed is de enige prachtvink in het gebied die grotendeels rood is.
Geluid
Een hoog, dun tsie of psiep, vaak in de vlucht en door groepjes herhaald. De zang van het mannetje is een zacht, hoog gekwetter van fluitende tonen.
Opname: Mathieu Waldeck — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
9–10 cm, klein, met een korte, afgeronde zwarte staart en een rode snavel. Het mannetje in broedkleed is dieprood, met bruinere vleugels, een zwarte teugel, een zwartachtige onderbuik en onderstaart en kleine witte stippen op flanken, vleugeldekveren en stuit. Buiten de broedtijd lijkt het mannetje op het vrouwtje, vaak met nog wat rode veren. Het vrouwtje en het mannetje in rustkleed zijn grijsbruin van boven en bleek geelbruin van onder, met een donkere teugel, een rode stuit en kleine witte stippen op de vleugeldekveren. Jonge vogels zijn bruiner, zonder rood, met lichte vleugelbandjes en een donkere snavel.
Verwarringssoorten
Het mannetje in broedkleed is als enige prachtvink in het gebied grotendeels rood. De oranjewangastrild Estrilda melpoda heeft ook een rode stuit, maar een oranje wang, een lichte teugel en geen witte stippen. Het sint-helenafazantje Estrilda astrild en de zwartstaartastrild Estrilda troglodytes hebben een rode oogstreep en een langere staart; het sint-helenafazantje is bovendien gebandeerd en de zwartstaartastrild heeft een zwarte stuit.
Leefgebied
Natte graslanden, oevers met hoog gras en riet, randen van zoetwatermoerassen, rijstvelden en suikerrietvelden. Foerageert in groepjes op graszaden en neemt ook kleine insecten. Het nest is een bol van grassen met een zijingang, laag in dichte vegetatie. Op Puerto Rico wordt vooral van februari tot mei gebroed.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Ingevoerd en gevestigd op Puerto Rico, vooral in het kustlaagland, en op Guadeloupe en Martinique. Een losse waarneming van de Dominicaanse Republiek. Van nature van Pakistan en India door Zuidoost-Azië tot Zuid-China, Java en de Kleine Soenda-eilanden. Ook ingevoerd in onder meer Spanje, Egypte, Fiji, Hawaï en Japan.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Puerto Rico in moerasranden en natte graslanden van het zuidelijk kustlaagland, bijvoorbeeld bij de Laguna Cartagena; op Guadeloupe in natte graslanden en rietranden. Groepjes zitten laag in het gras en zijn vooral aan de dunne roepjes te vinden. Mannetjes in broedkleed zijn op Puerto Rico vooral in de eerste maanden van het jaar te zien.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, al is de soort in delen van Zuidoost-Azië door vangst voor de vogelhandel afgenomen. In het Caribisch gebied een plaatselijk gevestigde exoot.
Wetenschappelijke naam
Amandava amandava | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla amandava; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Amandava werd in 1836 ingevoerd door Blyth. Amandava gaat terug op Ahmedabad in Gujarat, de Indiase stad van waaruit deze vogels als kooivogel werden verhandeld. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Calcutta in India.




