Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Zwartstaartastrild

Zwartstaartastrild | Estrilda troglodytes

Black-rumped Waxbill | Estrilda culinegra

De zwartstaartastrild komt van nature voor in de savannegordel van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië. In het Caribisch gebied is hij gevestigd op Guadeloupe en Martinique; van Puerto Rico en de Maagdeneilanden, waar hij eerder werd opgegeven, zijn recente waarnemingen schaars.

Zwartstaartastrild (Estrilda troglodytes)
Foto: Francesco Veronesi from Italy — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een scherp tsjip of tset als contactroep, ook in de vlucht. De zang is een korte reeks nasale tonen.

Luister: VluchtroepXC1018309

Opname: Romuald Mikusek — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

9–10 cm, klein en slank, met een vrij lange, zwarte staart. De snavel is rood en een smalle rode streep loopt door het oog. De bovendelen zijn lichtgrijsbruin en vrijwel ongebandeerd; de onderdelen zijn bleek grijsachtig met een roze zweem, het sterkst op de buik. Stuit en bovenstaartdekveren zijn zwart, de onderstaartdekveren wit. De seksen lijken op elkaar; het vrouwtje heeft minder roze op de buik. Jonge vogels zijn doffer, met een zwakke oogstreep en een donkere snavel.

Verwarrings­soorten

Het sint-helenafazantje Estrilda astrild is groter en langstaartiger, duidelijk fijn gebandeerd, met een bruine stuit, zwarte onderstaartdekveren en een rode buikvlek. De oranjewangastrild Estrilda melpoda heeft een oranje wang zonder oogstreep en een rode stuit. Een tijgervink Amandava amandava in vrouwtjeskleed heeft een rode stuit en witte stipjes op de vleugel.

Leefgebied

Hoog gras en ruigte in droog tot vochtig open land: weiden, bermen, braakliggend land, randen van akkers en suikerrietvelden, struweel met grazige open plekken en grazige oevers van sloten. Foerageert in groepjes op graszaden en beweegt daarbij de staart onrustig heen en weer. Het nest is een bol van grassen met een zijingang, laag in dichte vegetatie.

Verspreiding en trek

Ingevoerd en gevestigd op Guadeloupe en Martinique. Op Puerto Rico vroeger plaatselijk vermeld, tegenwoordig zelden waargenomen; op de Amerikaanse Maagdeneilanden waarschijnlijk verdwenen. Van nature van Senegal en Gambia oostwaarts tot Ethiopië, het noorden van Oeganda en het noordwesten van Kenia. Ook ingevoerd op Hawaï, op het Iberisch Schiereiland en in Japan.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Guadeloupe biedt de beste kansen, in grazige terreinen en bermen in het laagland. Bij een vogel die de staart zijwaarts beweegt, zijn de zwarte stuit en staart en de witte onderstaart zichtbaar; daarmee is de soort van het sint-helenafazantje te onderscheiden.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het Caribisch gebied een plaatselijk gevestigde exoot.

Wetenschappelijke naam

Estrilda troglodytes | (Lichtenstein, 1823)

Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als F[ringilla] Troglodytes; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Estrilda werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Estrilda is gevormd naar astrild, de soortnaam die Linnaeus aan het sint-helenafazantje gaf; waar dat woord vandaan komt is onzeker — mogelijk een Duitse of Nederlandse vogelhoudersterm voor een astrild, mogelijk een drukfout voor Estrilda. troglodytes is Grieks trōglodytēs 'holbewoner', van trōglē 'hol' en dyein 'binnengaan'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegambië.