Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Kleine mantelmeeuw

Kleine mantelmeeuw | Larus fuscus

Lesser Black-backed Gull | Gaviota sombría

De kleine mantelmeeuw is een Europese meeuw die sinds de jaren 1970 in toenemende aantallen aan de Amerikaanse kant van de Atlantische Oceaan overwintert. In het Caribisch gebied is ze van een dwaalgast uitgegroeid tot een schaarse maar regelmatige wintergast, met gevallen van de Bahama's tot Trinidad. De vogels in het gebied lijken vooral tot de West-Europese ondersoort graellsii te behoren.

Kleine mantelmeeuw (Larus fuscus)
Foto: Bengt Nyman from Vaxholm, Sweden — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lachend kjauw-kjauw, lager en nasaler dan bij de zilvermeeuw, en een kort, diep gak.

Luister: VluchtroepXC1065457

Opname: Francesco Sottile — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

51–64 cm, slanker en langvleugeliger dan de zilvermeeuw, met een vrij smalle snavel. Volwassen vogels hebben een leigrijze tot zwartgrijze mantel, zwarte vleugelpunten met kleine witte spiegels, een witte kop met in de winter bruine streping, een licht oog, een gele snavel met rode vlek en gele poten. Het volwassen kleed wordt in het vierde jaar bereikt. Jonge vogels zijn donkerbruin met geschubde bovendelen, een vrij witte stuit en staartbasis met een brede, scherp begrensde zwarte eindband, een zwarte snavel en vleeskleurige poten; in vlucht zijn de binnenste handpennen even donker als de buitenste. Oudere onvolwassen vogels krijgen geleidelijk een donkergrijze mantel.

Verwarrings­soorten

De grote mantelmeeuw Larus marinus is veel groter en zwaarder, met een zwarte mantel, grote witte vleugeltoppen en roze poten. Jonge Amerikaanse zilvermeeuwen Larus smithsonianus hebben een bruine, gebandeerde stuit, een grotendeels donkere staart en een licht venster in de binnenste handpennen. De lachmeeuw Leucophaeus atricilla is kleiner, met een donkere snavel en poten en zonder witte spiegels. De kelpmeeuw Larus dominicanus, op Trinidad gemeld, is zwaarder, met een zwarte mantel en groenig gele poten.

Leefgebied

Havens, stranden, getijdenvlakten, zoutpannen, lagunes en visaanlandplaatsen. Rust vaak tussen lachmeeuwen en sterns op zandbanken en pieren. Eet vis, ongewervelden en afval, en volgt vissersboten.

Verspreiding en trek

Wintergast op de Bahama's en Puerto Rico, waar groepjes in de havens van de omgeving van San Juan voorkomen; zeldzaam op Cuba en verspreide gevallen op de andere Grote Antillen en in de Kleine Antillen, onder meer op Barbados, Grenada en Carriacou en sinds 2019 op Union Island (Saint Vincent en de Grenadines). Regelmatig in kleine aantallen aan de westkust van Trinidad. Buiten het gebied broedt de soort van IJsland en Groenland door West- en Noord-Europa tot Rusland en overwintert ze van West-Europa tot West-Afrika en, in toenemende aantallen, langs de Amerikaanse oostkust.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het meest kansrijk in havens en bij visaanlandplaatsen in de winter, bijvoorbeeld rond San Juan op Puerto Rico en aan de westkust van Trinidad. Volwassen vogels vallen tussen de lichtgrijze meeuwen op door de donkere mantel en gele poten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is in Europa en IJsland in de twintigste eeuw sterk toegenomen; in Noord-Amerika nemen de aantallen overwinteraars al decennia toe, terwijl sommige Europese kolonies recent afnemen.

Wetenschappelijke naam

Larus fuscus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus voerde hij in datzelfde werk in. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. fuscus is Latijn voor 'donker', zwart of bruin, naar de donkere mantel en vleugels. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.