Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Kwak

Kwak | Nycticorax nycticorax

Black-crowned Night Heron | Martinete común

De kwak is een gedrongen nachtreiger met korte poten en een dikke hals, die overdag meestal verscholen in dichte bomen rust en in de schemering uitvliegt om te jagen. Het is een van de meest verbreide reigers ter wereld. In het Caribisch gebied is hij plaatselijk algemeen op de grotere eilanden, de ABC-eilanden en Trinidad, maar op de meeste kleinere eilanden veel schaarser dan de geelkruinkwak.

Kwak (Nycticorax nycticorax)
Foto: Curzio Cavicchioli — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een laag, hol en krassend kwok of wok, vooral in de schemering en 's nachts in de vlucht; in de kolonie allerlei krassende en klokkende geluiden.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1183345

Opname: Timeo CONSTANT — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

58–66 cm, gedrongen, met een korte, dikke snavel en korte gele poten. Volwassen vogels hebben een zwarte kruin en mantel, lichtgrijze vleugels en staart, en witte tot lichtgrijze wangen en onderdelen. Van de achterkop hangen twee tot vier lange witte pluimen. Het oog is rood; in de broedtijd kleuren de poten roze tot roodachtig. Jonge vogels zijn grijsbruin met grote, druppelvormige witte vlekken op de vleugels en van onder licht met bruine strepen; ze hebben een oranje oog en een gelige snavelbasis. Het volwassen kleed wordt na enkele jaren bereikt. In de vlucht een compact silhouet met stompe vleugels; de poten steken nauwelijks voorbij de staart uit. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

Jonge geelkruinkwakken Nyctanassa violacea zijn grijzer, met fijnere witte stippen, een dikkere, geheel donkere snavel en langere poten, die in de vlucht duidelijk voorbij de staart uitsteken. Volwassen geelkruinkwakken zijn egaal blauwgrijs met een zwart-witte kop. De Amerikaanse roerdomp Botaurus lentiginosus is warmer bruin, met donkere strepen langs de hals en zonder witte vleugelvlekken.

Leefgebied

Zoetwatermoerassen, vijvers, rivieren, rijstvelden en viskwekerijen, maar ook mangrove en kustlagunes. Eet vissen, kikkers, kreeftachtigen, insecten en soms jongen van andere vogels, vooral vanaf de oever in de schemering en 's nachts. Broedt in kolonies, vaak samen met andere reigers, in mangrove, moerasbos of bomen bij het water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Standvogel op Cuba, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico, de Bahama's, Jamaica, de Kaaimaneilanden, de ABC-eilanden en Trinidad en Tobago, plaatselijk algemeen maar sterk gebonden aan geschikt water. Op de Maagdeneilanden en de Kleine Antillen schaarser; vrij regelmatig op onder meer Guadeloupe, Antigua, Barbados, Sint Maarten en Grenada, op de meeste andere eilanden een onregelmatige gast. Op San Andrés en de Turks- en Caicoseilanden schaars. In de winter komen er vogels uit Noord-Amerika bij. Buiten het gebied in grote delen van Amerika, Europa, Afrika en Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de schemering bij vijvers, rivierarmen en mangrove, wanneer de vogels hun rustplaats verlaten. Overdag zitten rustende groepen in dichte bomen boven het water, vaak in of bij reigerkolonies, waar ze bij goed zoeken tussen het blad te vinden zijn.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Kolonies zijn gevoelig voor verstoring, en plaatselijk gaat leefgebied verloren door het droogleggen van wetlands en het kappen van mangrove.

Wetenschappelijke naam

Nycticorax nycticorax | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Ardea Nycticorax; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Nycticorax werd in 1817 ingevoerd door Forster. Nycticorax is Grieks, van nux, genitief nuktos, 'nacht' en korax 'raaf': nachtraaf. Bij Aristoteles en Hesychius is het een onheilsvogel, misschien een uil; Conrad Gessner gebruikte het woord in 1555 voor deze reiger. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijk Europa.