Alle soorten › Steltloperachtigen › Jacana's › Leljacana
Leljacana | Jacana jacana
Wattled Jacana | Jacana suramericana
De leljacana is de Zuid-Amerikaanse tegenhanger van de Midden-Amerikaanse jacana en in het Caribisch gebied vrijwel beperkt tot Trinidad, waar de soort in moerassen en rijstvelden algemeen is. Met zijn lange tenen loopt hij over drijvende planten. Net als bij de andere jacana's zijn de broedrollen omgekeerd: het grotere vrouwtje paart met meerdere mannetjes, die de eieren uitbroeden en de jongen verzorgen. Op Trinidad is de vogel bekend als spurwing of lily trotter.
Geluid
Luidruchtig. Een snel, kakelend kie-kie-kie-kie bij het foerageren of bij gevaar, daarnaast krassende, piepende en snaterende geluiden. Bij verstoring vliegen de vogels laag op met een aanhoudend, druk gekwetter.
Opname: Jacob Wijpkema — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
21–25 cm, met lange poten en zeer lange tenen. Kop, hals en onderdelen zijn zwart, rug en vleugeldekveren kastanjebruin. De snavel is geel; aan de basis zitten een rood voorhoofdsschild en twee rode, naar opzij hangende lellen. Bij de vleugelbocht zit een gele spoor. De slagpennen zijn licht geelgroen met een donkere punt en vallen op in de vlucht en wanneer de vogel na het landen de vleugels heft. Het vrouwtje is groter dan het mannetje maar gelijk getekend. Jonge vogels zijn van boven bruin en van onder wit, met een witte wenkbrauwstreep, een donkere oogstreep en slechts een aanzet van schild en lellen.
Verwarringssoorten
De Midden-Amerikaanse jacana Jacana spinosa heeft een geel, in lobben verdeeld schild en geen lellen, en komt in het gebied alleen op de Grote Antillen voor. Het azuurpurperhoen Porphyrio flavirostris en het Amerikaans purperhoen Porphyrio martinica lopen eveneens over drijvende planten, maar zijn lichtblauw en bruin respectievelijk paarsblauw en groen, zonder lange tenen of geelgroene slagpennen. Het waterhoen Gallinula chloropus is leigrijs met een witte flankstreep. Jonge leljacana's zijn door de witte onderdelen, de wenkbrauwstreep en de lange tenen van strandlopers en ruiters te onderscheiden.
Leefgebied
Zoetwatermoerassen, vijvers, trage rivieren, sloten, rijstvelden en overstroomde graslanden met drijvende of half drijvende planten, zoals waterlelies en waterhyacint; ook de randen van moerasbos. De vogel zoekt lopend over de vegetatie naar insecten, slakken, kleine vissen en andere ongewervelden en neemt in mindere mate zaden. Het nest is een platform van stengels en bladeren op de drijvende vegetatie; het legsel telt meestal vier eieren, die door het mannetje worden uitgebroed.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Algemene standvogel op Trinidad, met name in de moerassen en rijstvelden van Caroni en Nariva. Op Tobago schaars en plaatselijk, door gebrek aan geschikt leefgebied, maar er wordt gebroed. Elders in het gebied een zeldzame dwaalgast, onder meer op Curaçao en Bonaire; ook van Aruba en Grenada zijn enkele waarnemingen bekend. Buiten het gebied van het westen van Panama oostwaarts door het grootste deel van Zuid-Amerika ten oosten van de Andes, tot in het noorden van Argentinië en Uruguay.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Trinidad zijn de rijstvelden en moerassen aan de westkust, zoals bij Caroni, en de Nariva-moerassen de beste plekken; ook kleinere vijvers met waterlelies of waterhyacint worden benut. Een opvliegende vogel is direct te herkennen aan de geelgroene slagpennen, die bij het landen vaak nog even boven de rug worden gehouden.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en gebruikt ook door de mens aangelegd water, zoals rijstvelden en waterbekkens. Op Trinidad en Tobago verdwijnt plaatselijk leefgebied door het droogleggen en opvullen van moerassen.
Wetenschappelijke naam
Jacana jacana | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Parra Jacana; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Jacana werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Jacana is de verlatijnste vorm van het Portugese jaçanã, afgeleid van een Tupi-naam voor de vogel. jacana herhaalt de geslachtsnaam, van het Portugese jaçanã, ontleend aan een Tupi-naam voor de vogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Suriname.




