Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Olijfstreeppipratiran

Olijfstreeppipratiran | Mionectes olivaceus

Olive-striped Flycatcher | Mosquerito olivirrayado

De olijfstreeppipratiran is een onopvallende, olijfgroene tiran met gestreepte onderdelen, die in het gebied alleen in de bergbossen van Trinidad leeft. Net als de verwante okerbuikpipratiran eet hij veel bessen en heft hij regelmatig één vleugel even op. In nieuwere indelingen worden de vogels van Costa Rica en Panama als aparte soort afgesplitst; de Zuid-Amerikaanse vogels, waaronder die van Trinidad, heten dan Mionectes galbinus.

Olijfstreeppipratiran (Mionectes olivaceus)
Foto: Fernando Flores from Caracas, Venezuela — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zeer hoge, dunne tonen die eerder aan een insect of kolibrie doen denken dan aan een tiran; vooral in de vroege ochtend en laag in dichte begroeiing te horen. Buiten de broedtijd grotendeels stil.

Luister: ZangXC1089309

Opname: Carlos Delgado JUMABITA — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm. Kop, rug en stuit zijn geelgroen tot olijfgroen. Het gezicht is donker olijf met fijne lichte strepen en een kleine witte vlek direct achter het oog. Keel en borst zijn dicht gestreept in donker olijf en geelachtig wit, de flanken olijf en geel gestreept; de buik is lichtgeel. Vleugels en staart zijn donker olijf met smalle geelgroene randen, zonder duidelijke vleugelstrepen. De snavel is smal en zwart, bij oudere vogels met een oranjeachtige basis. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De okerbuikpipratiran Mionectes oleagineus is ongestreept, met een okerkleurige buik. De grijskruinleptopogon Leptopogon superciliaris heeft een grijze kruin, een donkere halvemaan op de oorstreek en duidelijke vleugelstrepen. Vrouwtjes van manakins zoals de goudkopmanakin Ceratopipra erythrocephala zijn gedrongener, kortstaartiger en ongestreept.

Leefgebied

Vochtig bos, bosranden en ouder secundair bos in de bergen, op Trinidad vooral op de hogere delen van de Northern Range. Foerageert in de onderste en middelste laag op kleine bessen, onder meer van maretakken en Melastomataceae, en op insecten die van bladeren worden gepikt. Het nest is een hangende bol van mos en plantenvezels met een ingang aan de zijkant.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Op Trinidad een schaarse standvogel van de Northern Range; niet op Tobago en elders in het gebied afwezig. Buiten het gebied in de kustgebergten van Venezuela en langs de Andes van Colombia tot Bolivia; in de ruime opvatting ook in de bergen van Costa Rica en Panama.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Trinidad het best te zoeken langs de weg naar Blanchisseuse en op andere hooggelegen plaatsen in de Northern Range, bij bessendragende struiken aan bosranden. De vogel zit vaak stil in de schaduw en verraadt zich door het opheffen van een vleugel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een groot verspreidingsgebied in de Andes en aangrenzende gebergten. Op Trinidad is ze beperkt tot het bergbos en daardoor kwetsbaar voor verlies van dat bos.

Wetenschappelijke naam

Mionectes olivaceus | Lawrence, 1868

Lawrence beschreef de soort in 1868 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Mionectes werd in 1844 ingevoerd door Cabanis. Mionectes is Grieks meionektēs 'klein, tekortgedaan', van meionekteō 'te weinig hebben'. olivaceus is nieuw-Latijn voor 'olijfkleurig', naar het olijfgroene verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Barranca, Costa Rica.