Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Okerbuikpipratiran

Okerbuikpipratiran | Mionectes oleagineus

Ochre-bellied Flycatcher | Mosquero ocrillo

De okerbuikpipratiran is een kleine, olijfgroene tiran met een warm okerkleurige buik, verspreid over de bossen van Trinidad en Tobago. Anders dan de meeste tirannen eet hij vooral bessen en vruchtjes. De mannetjes zingen in de broedtijd urenlang vanaf een vaste zitplaats in de ondergroei, alleen of in losse groepen waarbij ze elkaar kunnen horen.

Okerbuikpipratiran (Mionectes oleagineus)
Foto: Alejandro Bayer Tamayo from Armenia, Colombia — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een reeks scherpe tsjip-tonen, gevolgd door luidere, nadrukkelijke tonen, en een nasaal tsjie-a tsjie-a tsjie-a. Zingende mannetjes zijn in de broedtijd een groot deel van de dag te horen.

Luister: ZangXC776817

Opname: Mateus Gonçalves Santos — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm, slank, met een kleine, ronde kop en een smalle snavel. Kop, rug en stuit zijn olijfgroen; de vleugels zijn olijf met okerbeige randen aan dekveren en tertials, die vage vleugelstrepen vormen. De keel is grijzig olijf, de rest van de onderdelen helder kaneel- tot okerbeige. De snavel is donker met een lichtere basis van de ondersnavel. De seksen zijn gelijk. Een typische gewoonte is het snel opheffen van één vleugel tegelijk, telkens afwisselend.

Verwarrings­soorten

De olijfstreeppipratiran Mionectes olivaceus heeft gestreepte onderdelen en een witte vlek achter het oog. De grijskruinleptopogon Leptopogon superciliaris heeft een grijze kruin en een donkere halvemaan op de oorstreek. Euler's tiran Lathrotriccus euleri is bruiner, met duidelijke vleugelstrepen en een lichtere buik, en jaagt vanaf een zitplaats op vliegende insecten. Vrouwtjes van manakins zijn gedrongener en missen de okerkleurige buik.

Leefgebied

Het binnenste en de randen van vochtig en halfgroenblijvend bos, secundair bos, galerijbos en beschaduwde cacao- en koffieaanplant, van het laagland tot in de bergen. Eet vooral kleine bessen, onder meer van maretakken en Melastomataceae, aangevuld met insecten. Het nest is een hangende, peervormige bol van mos en vezels met een ingang aan de zijkant, vaak aan een wortel of rank boven een beek of langs een steile oever.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Standvogel op Trinidad en Tobago, op beide eilanden in vrijwel alle bosgebieden. Elders in het gebied ontbreekt de soort. Buiten het gebied van het zuiden van Mexico door Midden-Amerika tot in het Amazonegebied en het Atlantisch woud van Brazilië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Trinidad onder meer in het bos rond het Asa Wright Nature Centre en in de Arima-vallei; op Tobago in het bos van de Main Ridge. Het vleugelopheffen en de okerkleurige buik zijn al op afstand te zien; bij bessendragende struiken laat de vogel zich het beste bekijken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is wijdverspreid en past zich goed aan secundair bos en plantages aan.

Wetenschappelijke naam

Mionectes oleagineus | (Lichtenstein, 1823)

Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als M[uscicapa] oleaginea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Mionectes werd in 1844 ingevoerd door Cabanis. Mionectes is Grieks meionektēs 'klein, tekortgedaan', van meionekteō 'te weinig hebben'. oleagineus is Latijn voor 'olijfkleurig, van de olijfboom', van olea 'olijfboom', naar de olijfgroene bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bahia, Brazilië.