Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Oostelijke bospiewie

Oostelijke bospiewie | Contopus virens

Eastern Wood Pewee | Pibí oriental

De oostelijke bospiewie broedt in loof- en gemengd bos in het oosten van Noord-Amerika en overwintert van Midden-Amerika tot in het noorden van Zuid-Amerika, vooral langs de Andes. Op de trek trekt een deel van de vogels over Cuba en de Kaaimaneilanden, waar het de meest geziene trekkende piewie is. Verder oostelijk in het gebied wordt de soort veel minder vaak gezien.

Oostelijke bospiewie (Contopus virens)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een heldere, gefloten, langgerekte pie-a-wie met een opgaande slotnoot, afgewisseld met een dalend pie-joe; in het voorjaar ook op de trek te horen. De roep is een droog tsjip of een kort, opgaand pwiet.

Luister: ZangXC1139280

Opname: Rory Nefdt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13,5–15 cm, slank, met lange, spitse vleugels, een lange handpenprojectie, een licht kuifje en een vrij lange staart. De bovendelen zijn grijsolijf. De borst is grijsachtig met een olijfkleurige waas, die een vest vormt dat in het midden lichter is; keel en buik zijn wit tot geelachtig wit. De vleugels hebben twee duidelijke witachtige vleugelstrepen. De bovensnavel is donker, de ondersnavel grotendeels oranje of geelachtig, soms met een donkere punt. Jonge vogels hebben bleker gele tot okerkleurige vleugelstrepen.

Verwarrings­soorten

De westelijke bospiewie Contopus sordidulus, een dwaalgast, is vrijwel gelijk maar gemiddeld donkerder en egaler op de borst, met een donkerdere ondersnavel; zeker te onderscheiden is hij alleen aan de roep. De bruinbuikpiewie Contopus caribaeus van Cuba en de Bahama's is bruiner, met een okerkleurige buik, een witte halvemaan achter het oog, vage vleugelstrepen en kortere vleugels. De jamaicapiewie Contopus pallidus is donkerder, met vage vleugelstrepen. De tropische piewie Contopus cinereus van Trinidad heeft lichte teugels en kortere vleugels. Empidonax-soorten zijn kleiner, met een oogring, en wippen met de staart.

Leefgebied

Op de trek allerlei bos: droog en vochtig loofbos, kustbos, pijnbos en bosranden, ook parken en tuinen met hoge bomen. Zit op een open tak in de middelste of bovenste laag, vliegt uit naar vliegende insecten en keert vaak naar dezelfde zitplaats terug.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Vrij algemene doortrekker op Cuba en de Kaaimaneilanden, vooral van augustus tot oktober en minder in april en mei; schaarser op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden en Jamaica; zeldzaam op Hispaniola, Puerto Rico, de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen, de ABC-eilanden en Trinidad en Tobago. Broedt van het zuidoosten van Canada tot de Golfkust en Florida en overwintert van Costa Rica tot het noorden van Bolivia.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kans is in de herfst op Cuba en Grand Cayman, in bosranden en parken met hoge bomen. Een slanke piewie met duidelijke vleugelstrepen en lange vleugels die een helder pie-a-wie laat horen, is deze soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het broedgebied is de soort algemeen, maar ze is daar de laatste decennia geleidelijk afgenomen; in Canada staat ze op de lijst van soorten die aandacht vragen.

Wetenschappelijke naam

Contopus virens | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als [Muscicapa] virens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Contopus werd in 1855 ingevoerd door Cabanis. Contopus is Grieks, van kontos 'paal, schacht' en pous 'voet', naar de korte poten. virens is Latijn voor 'groen', naar de olijfgroene tint van de bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Carolina (VS).