Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Bruinbuikpiewie

Bruinbuikpiewie | Contopus caribaeus

Cuban Pewee | Pibí Cubano

De bruinbuikpiewie is de standvogelpiewie van Cuba en de noordelijke Bahama's. Vroeger werd hij samen met de piewies van Jamaica en Hispaniola als één soort beschouwd. Op Cuba is het een van de algemeenste kleine tirannen, in vrijwel elk bostype van zeeniveau tot in de bergen; in Cuba heet hij bobito chico.

Bruinbuikpiewie (Contopus caribaeus)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De ochtendzang bestaat uit hoge, piepende fluittonen in wisselende frasen. Overdag een langgerekt, dalend wieieoeoe. De roep is een herhaald wiet of die.

Luister: UncertainXC1149057

Opname: Cin-Ty Lee — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15–16,5 cm, met een licht kuifje en een vrij grote, brede snavel. Kruin donker olijfgrijs, gezicht en rug olijfbruin. Een witte halvemaan achter het oog is het beste kenmerk. De vleugels zijn donkerbruin met vage, lichte vleugelstrepen. Keel lichtgrijs, borst beigegrijs met een olijfkleurige waas, buik okerachtig tot mosterdgeel. De bovensnavel is zwart, de ondersnavel oranjegeel. Poten zwart. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De oostelijke bospiewie Contopus virens, een doortrekker, is grijzer, met duidelijke witte vleugelstrepen, langere vleugels en zonder witte halvemaan achter het oog. De La Sagra's tiran Myiarchus sagrae is groter en slanker, met een grijswitte onderzijde en roestbruine randen aan vleugels en staart. Empidonax-soorten, alle zeldzame trekvogels, hebben een volledige oogring en duidelijke vleugelstrepen. De hispaniolapiewie Contopus hispaniolensis en de jamaicapiewie Contopus pallidus komen niet op Cuba of de Bahama's voor.

Leefgebied

Loof- en pijnbos, kalksteenbos, struweel, moerasbos, mangrove en boomplantages, van zeeniveau tot circa 1800 m, maar zelden boven 1000 m. De ondersoort van de Zapata-moerassen en de zuidkust van Cuba houdt zich vooral in mangrove op. Jaagt vanaf een lage, open zitplaats op insecten en trilt na het landen met de staart; eet ook wat vruchten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Op Cuba, Isla de la Juventud en vele cays, waaronder de Jardines de la Reina, en in de noordelijke Bahama's op Grand Bahama, Abaco, Andros, New Providence, Eleuthera en Cat Island. Er worden vier ondersoorten onderscheiden. Meldingen uit Jamaica en Hispaniola in databanken gaan terug op de oude, ruime soortopvatting en betreffen de jamaicapiewie en de hispaniolapiewie.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Cuba vrijwel overal in bos te vinden, bijvoorbeeld in de Zapata-moerassen en de Sierra de los Órganos; op de Bahama's vooral in pijnbos op Andros, Abaco en Grand Bahama. De witte halvemaan achter het oog is ook op afstand te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is algemeen en wijdverspreid, met een stabiele populatie, en verdraagt secundair bos en plantages.

Wetenschappelijke naam

Contopus caribaeus | (d'Orbigny, ACVMD, 1839)

D'Orbigny, ACVMD beschreef de soort in 1839 als Muscipeta caribaea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Contopus werd in 1855 ingevoerd door Cabanis. Contopus is Grieks, van kontos 'paal, schacht' en pous 'voet', naar de korte poten. caribaeus is Latijn voor 'Caribisch', naar het Caribisch gebied (Cuba). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Holguín, Cuba.