Alle soorten › Zangvogels › Chattangaren › Oostelijke tapuittangare
Oostelijke tapuittangare | Calyptophilus frugivorus
Eastern Chat-Tanager | Chirrí de la Cordillera Central
De oostelijke tapuittangare is de kleinere van de twee soorten van de familie Calyptophilidae, die alleen op Hispaniola voorkomt. Net als de westelijke tapuittangare leeft hij verborgen in dichte ondergroei en wordt hij vooral gehoord. Van de drie beschreven ondersoorten zijn er twee vermoedelijk uitgestorven: de nominaatvorm van het laagland van het schiereiland Samaná en abbotti van het eiland Gonâve.
Geluid
Beide seksen zingen bij dageraad, in luide, gevarieerde, fluitende frasen. Van de nominaatvorm is een laag, gesleept swerp, swerp, tsjip, tsjip, tsjip beschreven. De roep is een scherp tsjek.
Opname: Lance A. M. Benner — CC BY-NC-SA 3.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
17–19 cm, met een lange staart, sterke poten en een spitse snavel. De kruin is donkerbruin, het gezicht donker grijsbruin met een gele vlek voor en rond het oog, en de vleugelbocht is geel. De bovendelen zijn donker olijfbruin, de staart roodbruiner. Keel en middenonderdelen zijn wit, de flanken grijsbruin. De seksen zijn gelijk. De ondersoort neibae is donkerder en kleiner dan de nominaatvorm, met een roodachtiger staart.
Verwarringssoorten
De westelijke tapuittangare Calyptophilus tertius is groter en zwaarder en leeft in het Massif de la Hotte, het Massif de la Selle en de Sierra de Bahoruco; de herkomst is het beste kenmerk. De zwartkruinpalmtangare Phaenicophilus palmarum is kleiner, met een groene rug, een zwarte kruin en witte vlekjes rond het oog. De groenstaartzanger Microligea palustris is veel kleiner en groenig, zonder wit op de onderdelen.
Leefgebied
Dichte ondergroei van breedbladig bergbos en nevelwoud, vooral in ravijnen en langs beken, tot ongeveer 2000 m. De uitgestorven laaglandvorm van Samaná leefde onder 600 m, die van Gonâve in halfdroog struweel nabij zeeniveau. Foerageert op of vlak boven de grond, vooral op insecten en andere ongewervelden, aangevuld met vruchten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Alleen op Hispaniola. De huidige populaties leven in de Cordillera Central en de Sierra de Neiba in de Dominicaanse Republiek, mogelijk ook aan de Haïtiaanse kant van de Sierra de Neiba. De populaties van het schiereiland Samaná en van Gonâve zijn sinds het begin van de jaren tachtig niet meer vastgesteld.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste kans is in de bergbossen van de Cordillera Central in de provincie La Vega en in de Sierra de Neiba, bij het eerste licht, wanneer de vogels zingen. Overdag blijven ze in de dichte begroeiing van ravijnen, waar ze vooral kort te zien zijn bij het oversteken van een pad.
Staat van instandhouding
Gevoelig volgens de IUCN. De wereldpopulatie wordt geschat op 10.000–16.700 volwassen vogels en neemt af. Bedreigingen zijn houtkap en de omzetting van bos in landbouwgrond; de bescherming in reservaten is in de praktijk beperkt. Twee van de drie ondersoorten zijn vermoedelijk al verdwenen.
Wetenschappelijke naam
Calyptophilus frugivorus | (Cory, 1883)
Cory beschreef de soort in 1883 als Phoenicophilus frugivorus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calyptophilus werd in 1884 ingevoerd door Cory. Calyptophilus is Grieks, van kaluptō 'verbergen' en philos 'liefhebber', naar het verborgen leven in dicht struikgewas. frugivorus is Latijn voor 'vruchtenetend', van frux, frugis 'vrucht' en -vorus '-etend'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Villa Riva, Dominicaanse Republiek.



