Alle soorten › Zangvogels › Chattangaren › Westelijke tapuittangare

Westelijke tapuittangare | Calyptophilus tertius

Western Chat-Tanager | Chirrí de Bahoruco

De westelijke tapuittangare is een van de twee soorten van de familie Calyptophilidae, die alleen op Hispaniola voorkomt. Lange tijd werden beide tot de tangaren gerekend en als één soort behandeld; de familie is inmiddels apart geplaatst en de twee soorten zijn gesplitst. Het is een schuwe vogel van de dichte ondergroei in de bergen van het zuidwesten van het eiland, die vooral bij dageraad door zijn luide zang opvalt. De geslachtsnaam Calyptophilus verwijst naar die verborgen leefwijze.

Westelijke tapuittangare (Calyptophilus tertius)
Foto: Pedro Genaro Rodriguez — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Beide seksen zingen, vooral in de schemering van de vroege ochtend: luide, gevarieerde, fluitende frasen die vaak worden herhaald. Daarnaast een scherp, droog tsjek.

Luister: ZangXC308837

Opname: Aidan Place — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

20–21 cm, met een lange, vaak opgewipte staart, sterke poten en een spitse snavel, wat de vogel een lijster- of spotlijsterachtig voorkomen geeft. De kop is donker olijfbruin met een zwartachtige kruin; voor het oog zit een kleine gele tot roestkleurige vlek, en de vleugelbocht is geel. De bovendelen zijn donker roodbruin. Keel en middenonderdelen zijn wit, de flanken en onderbuik grijsbruin. De seksen zijn gelijk. De soort is groter en zwaarder dan de oostelijke tapuittangare.

Verwarrings­soorten

De oostelijke tapuittangare Calyptophilus frugivorus is kleiner en komt in andere bergketens voor; waar de soorten elkaar in het veld kunnen treffen, is de herkomst het beste kenmerk. De zwartkruinpalmtangare Phaenicophilus palmarum en de grijskruinpalmtangare Phaenicophilus poliocephalus zijn kleiner, met een groene rug en witte vlekjes rond het oog. De Hispaniolalijster Turdus swalesi is groter, met een roestrode buik.

Leefgebied

Breedbladig bergbos, nevelwoud en dicht struikgewas, vooral in ravijnen en bij water, tussen ongeveer 750 en 2200 m. Leeft op of vlak boven de grond, waar de vogel in de strooisellaag naar insecten en andere ongewervelden zoekt; daarnaast wat vruchten. Het nest is een omvangrijke, overdekte koepel van plantenmateriaal, 1–1,5 m boven de grond; het legsel bestaat meestal uit twee eieren en beide ouders verzorgen de jongen. Het broedseizoen loopt vermoedelijk van mei tot juli.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Alleen op Hispaniola: in het Massif de la Hotte en het Massif de la Selle in het zuidwesten van Haïti en in de aansluitende Sierra de Bahoruco in het zuidwesten van de Dominicaanse Republiek.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De hoge delen van de Sierra de Bahoruco, langs de weg naar Zapotén aan de Haïtiaanse grens, zijn de meest bezochte plek. De vogel zingt bij het eerste licht en is dan te lokaliseren; daarna blijft hij meestal in de ondergroei van ravijnen en is hij vooral kort te zien wanneer hij een bospad oversteekt.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. De wereldpopulatie wordt geschat op 6.700–13.300 volwassen vogels en neemt vermoedelijk af. Bedreigingen zijn houtkap en de omzetting van bos in landbouwgrond, ook in beschermde gebieden, en predatie van nesten door ratten en verwilderde katten. In Haïti is het bergbos grotendeels verdwenen.

Wetenschappelijke naam

Calyptophilus tertius | Wetmore, 1929

Wetmore beschreef de soort in 1929 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Calyptophilus werd in 1884 ingevoerd door Cory. Calyptophilus is Grieks, van kaluptō 'verbergen' en philos 'liefhebber', naar het verborgen leven in dicht struikgewas. tertius is Latijn voor 'derde', vermoedelijk omdat dit de derde beschreven vorm van het geslacht was. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit hogere hellingen van de Morne La Hotte, Haïti.