Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Oranjewangastrild
Oranjewangastrild | Estrilda melpoda
Orange-cheeked Waxbill | Estrilda carinaranja
De oranjewangastrild is een kleine prachtvink uit West- en Centraal-Afrika. Op Puerto Rico leeft hij al sinds de 19e eeuw in het wild – hij werd er vóór 1874 voor het eerst vermeld – en hij is daar een van de algemeenste ingevoerde zangvogels. Daarnaast heeft hij zich gevestigd op Guadeloupe en Martinique.
Geluid
Hoge, dunne tsie- en tsip-roepjes, vooral van groepjes in de vlucht; ze zijn vaak het eerste teken van aanwezigheid. De zang is een korte reeks ijle, fluitende tonen.
Opname: Bram Piot — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
9–10 cm, klein en slank, met een vrij lange, zwartachtige staart en een rode snavel. Kruin en nek zijn lichtgrijs, rug en vleugels grijsbruin. Een grote oranje vlek bedekt teugel, oog en oorstreek. Keel en onderdelen zijn lichtgrijs tot witachtig, met een oranjegele zweem midden op de buik. Stuit en bovenstaartdekveren zijn rood, zichtbaar in de vlucht. Het vrouwtje is iets doffer, met een kleinere oranje wangvlek. Jonge vogels zijn bruiner, met een donkere snavel en een vage wangvlek; de rode stuit is al aanwezig.
Verwarringssoorten
Het sint-helenafazantje Estrilda astrild en de zwartstaartastrild Estrilda troglodytes hebben een smalle rode oogstreep in plaats van een oranje wang; het sint-helenafazantje is fijn gebandeerd en heeft een bruine stuit, de zwartstaartastrild een zwarte stuit en witte onderstaartdekveren. De tijgervink Amandava amandava in vrouwtjes- of rustkleed heeft ook een rode stuit, maar een donkere teugel, witte stipjes op de vleugeldekveren, een kortere staart en geen oranje wang.
Leefgebied
Hoog gras en ruigte in open laagland: weiden met verspreide struiken, bermen, braakliggend land, randen van suikerrietvelden en rijstvelden, en grazige oevers van moerassen en lagunes; ook grazige terreinen aan de rand van bebouwing. Foerageert in groepjes op graszaden, laag in de vegetatie of op de grond, vaak samen met andere zaadeters. Het nest is een bol van grassen met een zijingang, laag in dichte vegetatie. Op Puerto Rico wordt het hele jaar door gebroed, het meest van maart tot juli.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Ingevoerd en gevestigd op Puerto Rico, waar de soort in het kustlaagland algemeen is, en op Guadeloupe en Martinique. Een losse waarneming van de Amerikaanse Maagdeneilanden. Van nature van Senegal en Gambia oostwaarts tot de Centraal-Afrikaanse Republiek en zuidwaarts tot Congo en het noorden van Angola. Ook ingevoerd in Zuid-Californië, op Saipan en in Singapore.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Puerto Rico in vrijwel elk grazig terrein in het kustlaagland, bijvoorbeeld rond de Laguna Cartagena in het zuidwesten en in het natuurreservaat van Humacao. Groepjes houden zich op in hoog gras en worden meestal eerst aan de hoge roepjes opgemerkt; in de vlucht valt de rode stuit op.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In het Caribisch gebied een gevestigde exoot, op Puerto Rico met een wijdverbreide en stabiele populatie.
Wetenschappelijke naam
Estrilda melpoda | (Vieillot, 1817)
Vieillot beschreef de soort in 1817 als Fringilla melpoda; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Estrilda werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Estrilda is gevormd naar astrild, de soortnaam die Linnaeus aan het sint-helenafazantje gaf; waar dat woord vandaan komt is onzeker — mogelijk een Duitse of Nederlandse vogelhoudersterm voor een astrild, mogelijk een drukfout voor Estrilda. melpoda is Grieks en wordt in verband gebracht met melpō 'zingen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.





