Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Kastanjenon

Kastanjenon | Lonchura atricapilla

Chestnut Munia | Capuchino castaño

De kastanjenon is een nonnetje uit Zuid- en Zuidoost-Azië dat als kooivogel in het Caribisch gebied terechtkwam. Gevestigde populaties zijn bekend van Jamaica en Martinique. Oudere Caribische literatuur behandelde hem samen met de driekleurennon Lonchura malacca als één soort, zodat oudere opgaven per eiland niet altijd aan een van beide soorten zijn toe te wijzen.

Kastanjenon (Lonchura atricapilla)
Foto: Abhijit Sarma — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een dun, hoog piet of tie als contactroep, in de vlucht vaak herhaald. De zang is zeer zacht en alleen van dichtbij hoorbaar.

Luister: RoepXC880545

Opname: Sam Hambly — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm, gedrongen, met een korte staart en een dikke, lichte blauwgrijze snavel. Kop, hals en bovenborst zijn zwart; de rest van het lichaam is warm kastanjebruin, met een roodbruine stuit en bovenstaartdekveren die vooral in de vlucht opvallen. Het midden van de buik en de onderstaartdekveren zijn zwartachtig. De seksen lijken op elkaar. Jonge vogels zijn egaal lichtbruin van boven en bleek geelbruin tot witachtig van onder, zonder zwarte kop, en hebben een donkerder snavel.

Verwarrings­soorten

De driekleurennon Lonchura malacca heeft eveneens een zwarte kop, maar een witte onderborst en witte flanken; tussenvormen komen voor. De rijstvogel Padda oryzivora is groter en grijs, met witte wangen en een grote roze snavel. De muskaatvink Lonchura punctulata heeft een bruine kop en geschubde onderdelen. Jonge vogels zijn nauwelijks van jonge driekleurennonnen en muskaatvinken te onderscheiden en worden het best herkend aan de volwassen vogels in de groep.

Leefgebied

Natte, open gebieden met hoog gras en riet: rijstvelden, zoetwatermoerassen, overstroomde graslanden, oevers van sloten en kanalen, en randen van suikerrietvelden. Foerageert in groepen op rijst en graszaden, vaak samen met andere nonnetjes. Het nest is een losse bol van gras met een zijingang, in hoge vegetatie of een struik.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Ingevoerd en gevestigd op Jamaica en Martinique. Losse waarnemingen van Cuba en Trinidad. Opgaven van andere Grote Antillen in de literatuur hebben deels betrekking op de driekleurennon en zijn niet altijd goed toe te wijzen. Van nature van Noord-India en Nepal door Zuidoost-Azië en Zuid-China tot Taiwan, de Filipijnen, Borneo en Sulawesi. Ook ingevoerd op Hawaï, in Japan en op Palau.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Rijstvelden en natte graslanden in het laagland van Jamaica en Martinique zijn het meest kansrijk. Groepjes vliegen laag over de velden en laten daarbij de dunne contactroep horen. De geheel kastanjebruine onderdelen onderscheiden volwassen vogels van de driekleurennon.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het Caribisch gebied een plaatselijk gevestigde exoot, die in rijstbouwgebieden als plaag kan optreden.

Wetenschappelijke naam

Lonchura atricapilla | (Vieillot, 1807)

Vieillot beschreef de soort in 1807 als Loxia atricapilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Lonchura werd in 1832 ingevoerd door Sykes. Lonchura is Grieks, van lonkhē 'speerpunt' en oura 'staart', naar de spits toelopende staart. atricapilla is Latijn, van ater 'zwart' en capillus 'hoofdhaar', naar de zwarte kop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Laag-Bengalen.