Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Parelwouw

Parelwouw | Gampsonyx swainsonii

Pearl Kite | Elanio perla

De parelwouw is de kleinste roofvogel van Amerika, nauwelijks groter dan een spreeuw. Hij zit vaak lang op een hoge, open uitkijkpost, zoals een kale boomtop of een elektriciteitsdraad, en duikt van daaruit op hagedissen en grote insecten. Op Trinidad vestigde de soort zich rond 1970 vanaf het Zuid-Amerikaanse vasteland en is ze sindsdien een vaste bewoner van het open land.

Parelwouw (Gampsonyx swainsonii)
Foto: Greg Kanies — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. Bij het nest een hoge, muzikale reeks piep-piep-piep-piep of kittie-kittie-kittie.

Luister: ZangXC844094

Opname: Francisco contreras — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

20–23 cm, compact, met een kleine kop, puntige vleugels en een vrij lange, recht afgesneden staart; in zit lijkt de vogel eerder een valkje dan een wouw. Kruin, bovendelen, vleugels en staart zijn zwartgrijs, met een witte, roestbruin omzoomde nekband. Voorhoofd en wangen zijn geelachtig tot okergeel, de onderdelen wit; de vogels van het noordelijke deel van het areaal, waaronder Trinidad, hebben roestbruine flanken en dijen. De poten zijn geel. In vlucht donker van boven en grotendeels wit van onderen. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben lichte, roestbruin getipte veerranden op de bovendelen en een bleker, buffkleurig gezicht en nekband.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse torenvalk Falco sparverius is iets groter, heeft een roodbruine rug en staart en twee zwarte strepen op de witte wangen, en wipt met de staart. De vleermuisvalk Falco rufigularis is even donker van boven, maar heeft een zwarte kop zonder geel in het gezicht, een gebandeerde zwarte borst en een roodbruine buik; hij jaagt vooral in de schemering op vleermuizen en vogels in de vlucht.

Leefgebied

Open en halfopen land met verspreide bomen: savanne, weiland, ruigte, akkers en plantages, randen van droog bos en dorpsranden. Het voedsel bestaat vooral uit hagedissen, aangevuld met grote insecten, kleine vogels en kikkers. Het nest is een diepe kom van takjes hoog in een boom, soms in een oud nest van een andere vogel; er kunnen twee legsels per seizoen zijn.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen op Trinidad, waar de soort vooral in het open land van het westen, midden en zuiden voorkomt. Op Tobago en de overige eilanden niet bekend. Buiten het gebied van Nicaragua en Panama door Colombia en Venezuela tot Bolivia, het noorden van Argentinië en het zuiden van Brazilië; het areaal breidt zich in Midden-Amerika noordwaarts uit.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Langs landwegen door weiland en akkers op Trinidad elektriciteitsdraden en kale boomtoppen afzoeken. De kleine, zittende vogel is herkenbaar aan het lichte gezicht en de witte borst tegen de zwarte bovendelen; door de geringe grootte wordt hij vaak over het hoofd gezien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort profiteert van ontbossing en de uitbreiding van open, agrarisch land, en het areaal is de afgelopen decennia groter geworden.

Wetenschappelijke naam

Gampsonyx swainsonii | Vigors, 1825

Vigors beschreef de soort in 1825 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Gampsonyx voerde hij in datzelfde werk in. Gampsonyx is Grieks, van gampsos 'gekromd' en onux 'klauw': 'kromklauw'. swainsonii eert de Engelse natuuronderzoeker William Swainson (1789–1855). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit hoogvlakte van Bahia, Brazilië.