Alle soorten › Roofvogels › Visarenden › Visarend

Visarend | Pandion haliaetus

Osprey | Águila pescadora

De visarend is de enige roofvogel van het gebied die vrijwel uitsluitend van vis leeft. In het gebied komen twee vormen voor: de Caribische visarend (ondersoort ridgwayi), een schaarse standvogel van de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden en Cuba, en Noord-Amerikaanse vogels (carolinensis) die in de winter en op doortrek langs alle kusten en wateren te zien zijn. Op Cuba heet hij guincho.

Visarend (Pandion haliaetus)
Foto: El Golli Mohamed — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een reeks korte, fluitende tjiep-tjiep-tjiep-roepen, vooral bij het nest en bij interacties; alarm is een hoger, dringender kjie-kjie.

Luister: RoepXC1013326

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

50–66 cm, met lange, smalle vleugels die in vlucht een knik bij de pols tonen, waardoor het silhouet aan een grote meeuw doet denken. De bovendelen zijn donkerbruin, de onderdelen wit. De kop is wit met een donkere oogstreep die doorloopt naar de nek; het oog is geel. Van onderen zijn de vleugels wit met een zwarte polsvlek en gebandeerde slagpennen. Vrouwtjes hebben meestal een duidelijkere bruine borstband dan mannetjes. De Caribische vogels hebben een wittere kop, een smalle of onderbroken oogstreep en een vrijwel ongetekende borst; Noord-Amerikaanse vogels hebben een bredere oogstreep. Jonge vogels hebben lichte randen aan de bovendelen.

Verwarrings­soorten

Grote meeuwen als de Amerikaanse zilvermeeuw Larus smithsonianus hebben eveneens geknikte vleugels, maar missen de donkere oogstreep, de zwarte polsvlek en de bruine bovendelen. De roodstaartbuizerd Buteo jamaicensis heeft bredere vleugels, een donkere buikband en bij volwassen vogels een roodbruine staart. De Amerikaanse fregatvogel Fregata magnificens heeft veel langere, spitsere vleugels en een lange gevorkte staart.

Leefgebied

Ondiepe kustwateren, baaien, lagunes, zeegrasvelden, mangrove, zoutpannen, meren, stuwmeren en riviermondingen. Jaagt vanuit de lucht of vanaf een uitkijkpost, stoot na een korte biddende vlucht met de poten vooruit in het water en grijpt vis tot onder het wateroppervlak. De Caribische vogels nestelen langs de kust op rotsen, eilandjes, dode bomen, mangrove en in toenemende mate op palen en masten; ze leggen vooral in november en december.

Verspreiding en trek

Als broedvogel alleen langs de kusten van de zuidelijke Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden en Cuba, overal in kleine aantallen. Noord-Amerikaanse vogels overwinteren of trekken door in het hele gebied, van de Bahama's en de Grote Antillen tot de Kleine Antillen, de ABC-eilanden, San Andrés en Trinidad en Tobago; enkele onvolwassen vogels blijven de zomer over. Buiten het gebied over vrijwel de hele wereld, behalve Antarctica.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter is de kans het grootst langs ondiepe baaien, lagunes en zoutpannen, waar de vogels vaak op palen, masten of dode bomen zitten. De Caribische broedvogels zijn het best te zoeken langs de kusten en cays van Cuba en de zuidelijke Bahama's; de witte kop met smalle oogstreep onderscheidt ze van de wintergasten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De wereldpopulatie is na het verbod op DDT sterk hersteld. De Caribische ondersoort is schaars en verspreid, met een laag broedsucces; verstoring van kustnesten en het verdwijnen van nestbomen zijn plaatselijk een probleem.

Wetenschappelijke naam

Pandion haliaetus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Falco Haliaetus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pandion werd in 1809 ingevoerd door De Savigny. Pandion is ontleend aan Pandion, de mythische koning van Athene en grootvader van Theseus. haliaetus gaat via het Latijn terug op het Griekse haliaetos 'zeearend', van hals 'zee' en aetos 'arend'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.