Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Puerto Ricaans dikbekje
Puerto Ricaans dikbekje | Melopyrrha portoricensis
Puerto Rican Bullfinch | Comeñame
Het Puerto Ricaans dikbekje is een forse, zwarte zaad- en vruchteneter met een zware snavel, endemisch op Puerto Rico. Het werd lang samengenomen met de vogels van Saint Kitts, die nu als aparte soort gelden, het Sint-Kittsdikbekje Melopyrrha grandis. Op Puerto Rico heet de soort comeñame. Ze houdt zich meestal verborgen in dicht struikgewas en is vaker te horen dan te zien.
Geluid
De zang is een reeks van enkele heldere fluittonen die in toonhoogte oplopen. Daarnaast een zacht, dun tsiep als contactroep.
Opname: Rainforest Connection — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
16,5–19 cm, met een zware, kegelvormige zwarte snavel. Volwassen vogels zijn zwart, met een oranjerode streep boven het oog, een oranjerode keel en oranjerode onderstaartdekveren. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn olijfgroen met roestkleurige onderstaartdekveren.
Verwarringssoorten
Op Puerto Rico geen andere dikbekjes. Het mannetje van de glanskoevogel Molothrus bonariensis is ook zwart, maar glanzend paarsblauw, zonder rood, met een spitsere snavel en langere staart. Het Antillendikbekje Loxigilla noctis en het bahamadikbekje Melopyrrha violacea, die er sterk op lijken, komen op Puerto Rico niet of alleen als zeldzame dwaalgast voor.
Leefgebied
Dicht bos met veel ondergroei: vochtig bergbos en nevelwoud, laaglandbos met dichte struiklaag, droog bos en struweel in het zuidwesten, koffieplantages, ruigte en kuststruweel, zelden mangrove. Het is een soort van bosranden en plekken met een open kronendak. Het eet vooral vruchten, daarnaast zaden, bloemknoppen, insecten en spinnen. Het nest is een bol met een ingang aan de zijkant, meestal laag in een boom, struik of grasbos. Het broedseizoen loopt in vochtig bos van maart tot juni, in het droge zuidwesten vooral van eind april tot juli, soms met een tweede legsel in september en oktober. Het legsel telt twee of drie eieren, die het vrouwtje ongeveer 14 dagen bebroedt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Alleen op Puerto Rico, verspreid over het grootste deel van het eiland, maar niet op het uiterste oostpuntje. Buiten Puerto Rico komt de soort niet voor.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het droge bos van Guánica in het zuidwesten en het bergbos rond Maricao in het westen zijn de bekendste plekken. De zang is het beste aanknopingspunt; de vogel zelf zit vaak laag en stil in dicht struikgewas en is bij vruchtdragende struiken het vaakst te zien.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar. Vermoed wordt dat zowel het verspreidingsgebied als de populatie kleiner worden. De meeste nesten gaan verloren door predatie, in Guánica vooral door de witoogspotlijster Margarops fuscatus; ook ingevoerde mangoesten, katten en ratten zijn mogelijke nestrovers. Het nestsucces is hoger in jaren met veel vruchten en neerslag.
Wetenschappelijke naam
Melopyrrha portoricensis | (Daudin, 1800)
Daudin beschreef de soort in 1800 als Loxia portoricensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Melopyrrha werd in 1853 ingevoerd door Bonaparte. Melopyrrha combineert Grieks melas 'zwart' met Pyrrhula, het geslacht van de goudvinken: een 'zwarte goudvink'. portoricensis is Latijn voor 'van Puerto Rico', het eiland waar de soort voorkomt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Puerto Rico.





