Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Puerto Ricaanse nachtzwaluw

Puerto Ricaanse nachtzwaluw | Antrostomus noctitherus

Puerto Rican Nightjar | Guabairo de Puerto Rico

De Puerto Ricaanse nachtzwaluw is een kleine nachtzwaluw die alleen in de droge bossen in het zuidwesten van Puerto Rico leeft. De soort was bekend van één balg uit 1888 en van botten uit grotten, en werd voor uitgestorven gehouden tot ze in 1961 in het droogbos van Guánica opnieuw werd gevonden. Hij is een van de kenmerkende endemen van het eiland.

Puerto Ricaanse nachtzwaluw (Antrostomus noctitherus)
Foto: Mike Morel of U.S. Fish and Wildlife Service Southeast Region — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een snelle reeks heldere fluittonen, ongeveer wiep-wiep-wiep, vooral te horen in de schemering en bij maanlicht. Daarnaast korte, zachte roepjes.

Luister: ZangXC308517

Opname: Ross Gallardy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

22–23 cm, klein en compact, met een grote kop, grote donkere ogen, een korte grijze snavel met stijve borstels en grijze poten. Het verenkleed is gevlekt zwart, bruin en grijs, met een fijn patroon dat op de strooisellaag nauwelijks opvalt. Het mannetje heeft een zwartachtige keel met een witte dwarsband en grote witte vlekken op de onderkant van de buitenste staartpennen, goed zichtbaar in de vlucht. Bij het vrouwtje is de keelband bruingeel en zijn de staarttoppen smal en bruingeel.

Verwarrings­soorten

De Carolinanachtzwaluw Antrostomus carolinensis, een schaarse wintergast op Puerto Rico, is veel groter en warmer roodbruin en zingt in de winter zelden. De Antilliaanse nachtzwaluw Chordeiles gundlachii heeft lange, spitse vleugels met een witte band, een gevorkte staart en jaagt boven open terrein, niet in het bos.

Leefgebied

Droog kustbos en droog struikbos op kalksteen, bij voorkeur gesloten droogbos met een dikke strooisellaag en een open onderlaag; in opener struikbos in lagere dichtheden. Jaagt op vliegende insecten vanaf een lage tak. Legt een of twee eieren op het blad op de bosbodem, meestal van april tot juni; het mannetje neemt het grootste deel van het broeden voor zijn rekening, de broedduur is 18–20 dagen en de jongen vliegen na ongeveer twee weken uit.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Alleen in het zuidwesten van Puerto Rico, in de droge heuvels tussen ongeveer Cabo Rojo en Ponce. De belangrijkste gebieden zijn het staatsbos van Guánica, het staatsbos van Susúa en de heuvels van Guayanilla; in 2005 werd ook in het staatsbos van Maricao een nest gevonden. Buiten Puerto Rico komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het droogbos van Guánica is de bekendste plek; vanaf de wegen en paden in en rond het bos is de zang vlak na zonsondergang en voor zonsopgang goed te horen. Het bos niet buiten de paden betreden: nesten liggen op de grond en kunnen worden vertrapt of verstoord.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. In 1962 werd de populatie op minder dan 100 broedparen geschat; volgens de schatting uit 2023 gaat het om 2.700–9.900 volwassen vogels, waarna de soort van Bedreigd naar Kwetsbaar werd teruggezet. Bedreigingen zijn het verlies van droogbos door bebouwing en ontwikkeling en predatie door uitgezette dieren zoals mangoesten, katten en ratten.

Wetenschappelijke naam

Antrostomus noctitherus | (Wetmore, 1919)

Wetmore beschreef de soort in 1919 als Setochalcis noctitherus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Antrostomus werd in 1838 ingevoerd door Bonaparte. Antrostomus is Grieks, van antron 'grot' en stoma 'mond': 'grotmond', naar de enorm wijde muil. noctitherus combineert Latijn nox, noctis 'nacht' met Grieks -thēras 'jager': 'nachtjager'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bayamón, Puerto Rico.