Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Roestflankzanger
Roestflankzanger | Setophaga pensylvanica
Chestnut-sided Warbler | Reinita de Pensilvania
De roestflankzanger broedt in jonge loofbossen en kapvlakten in het oosten van Noord-Amerika en overwintert vooral in Midden-Amerika, met het zwaartepunt in Costa Rica en Panama. Hij trekt grotendeels over de Golf van Mexico en Midden-Amerika, zodat hij in het Caribisch gebied vooral in het westen en alleen in kleine aantallen doortrekt.
Geluid
De roep is een vrij laag tsjip, de vluchtroep een zoemend bzrr. De zang is een heldere fluitreeks met een nadrukkelijk slot, in het Engels weergegeven als pleased pleased pleased to MEETCHA; in het gebied wordt hij zelden gehoord.
Opname: Mario Reyes Jr — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
12–14 cm, slank, met een vrij lange staart die vaak schuin omhoog wordt gehouden. In broedkleed heeft het mannetje een gele kruin, een zwart masker en baardstreep, witte wangen en onderdelen en een kastanjebruine streep langs de flank; het vrouwtje is valer. Het herfst- en winterkleed wijkt af: felgroene kruin en bovendelen, een grijs gezicht met een witte oogring, effen grijswitte onderdelen, soms met een restje kastanjebruin op de flank, en twee lichtgele vleugelstrepen.
Verwarringssoorten
Het herfstkleed onderscheidt zich door de groene rug, de witte oogring en de grijswitte onderdelen. De kastanjezanger Setophaga castanea en de zwartkopzanger Setophaga striata hebben in de herfst een gestreepte rug en geen duidelijke oogring. De tennesseezanger Leiothlypis peregrina mist de vleugelstrepen en heeft een wenkbrauwstreep in plaats van een oogring.
Leefgebied
Tijdens de trek in vochtig en droog bos, bosranden, kustbos en tuinen met struiken en bomen. Foerageert in de lagere en middelste laag, springt van tak naar tak en zoekt insecten en rupsen aan de onderkant van bladeren; buiten de broedtijd ook bessen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Schaarse doortrekker op de Bahama's, Cuba en de Kaaimaneilanden, zeldzamer op Jamaica; incidenteel blijft een vogel de winter over. Op Hispaniola, Puerto Rico, de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen, de ABC-eilanden, San Andrés en Trinidad en Tobago zeldzaam tot dwaalgast. Broedt in het zuiden van Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten, zuidwaarts langs de Appalachen, en overwintert van het zuiden van Mexico tot Panama en het noordwesten van Zuid-Amerika.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste kans is in september en oktober in tuinen en kustbos op West-Cuba, de Kaaimaneilanden en de Bahama's, tussen andere trekkende zangers. De witte oogring in een grijs gezicht en de gele vleugelstrepen bij een felgroene rug zijn genoeg om een herfstvogel te herkennen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort heeft geprofiteerd van de omzetting van oerbos in jong bos en kapvlakten; sinds enkele decennia nemen de aantallen weer langzaam af naarmate die bossen ouder worden.
Wetenschappelijke naam
Setophaga pensylvanica | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Motacilla pensylvanica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. pensylvanica verwijst naar Pennsylvania, waar de typelocatie ligt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit omgeving van Philadelphia, Pennsylvania, Verenigde Staten.



