Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Gele zanger

Gele zanger | Setophaga aestiva

American Yellow Warbler | Reinita amarilla

De gele zanger is de trekkende, noordelijke helft van wat lang als één soort gold, de ‘yellow warbler’. Sinds de splitsing op grond van DNA, verenkleed en zang staan de broedvogels van Noord-Amerika als gele zanger Setophaga aestiva te boek en de standvogels van de mangroven en eilanden als mangrovezanger Setophaga petechia. In het Caribisch gebied is de gele zanger alleen gast, en overlapt hij in de winter overal met de mangrovezanger.

Gele zanger (Setophaga aestiva)
Foto: Mdf — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een vol, scherp tsjip; de vluchtroep een dun, iets zoemend zie. De zang, een heldere reeks fluittonen met een stijgend slot, in het Engels als sweet sweet sweet I'm so sweet, is in de winter zelden te horen.

Luister: ZangXC1181149

Opname: Ray Cooke — CC BY-NC 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm, met een korte staart, een groot donker oog in een effen geel gezicht en een vrij dikke snavel. Het mannetje is geel met een olijfgroene rug en kruin en roodbruine streepjes op borst en flanken; de kop heeft geen roodbruine kap. Het vrouwtje is valer, zonder of met vage streepjes. Jonge vogels in de herfst kunnen grijsachtig olijf zijn met nauwelijks geel. Vleugelpennen en dekveren hebben gele randen en de staart heeft gele, geen witte vlekken.

Verwarrings­soorten

De mangrovezanger Setophaga petechia lijkt het meest op deze soort; mannetjes van veel eilandvormen hebben een roodbruin getinte kruin of een roodbruine kap, en standvogels blijven het hele jaar in de mangrove. Een geheel gele mannetjeszanger zonder roodbruin op de kop, buiten de mangrove en tussen augustus en mei, is waarschijnlijk deze soort, maar zeker is dat niet altijd. De wilsons zanger Cardellina pusilla heeft een lange, donkere staart zonder gele vlekken; de citroenzanger Protonotaria citrea heeft blauwgrijze vleugels.

Leefgebied

In de winter in struweel, bosranden, kustbos en mangrove, ook in tuinen, parken en droog doornstruweel. Foerageert actief in de lagere en middelste laag op insecten en spinnen, en mengt zich vaak met andere trekkende zangers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Doortrekker en wintergast in het hele gebied, met de meeste meldingen van de Bahama's, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola en Puerto Rico. Op Trinidad en Tobago, waar geen mangrovezangers als standvogel voorkomen, is de soort een regelmatige wintergast. Op de Kleine Antillen, de ABC-eilanden en San Andrés is de omvang slecht bekend, omdat trekvogels daar tussen de standvogels van de mangrovezanger verdwijnen. Broedt van Alaska en Canada tot in het noorden van Mexico en overwintert van Mexico tot in het noorden van Zuid-Amerika.

  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het meest kansrijk tijdens de herfsttrek in augustus en september, wanneer gele zangers ook buiten de mangrove in tuinen en struweel opduiken. Op Trinidad en Tobago is elke ‘gele zanger’ in de winter deze soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De populatie is zeer groot en het broedgebied omvangrijk; plaatselijke afnamen in Noord-Amerika hangen samen met het verdwijnen van wilgenstruweel langs rivieren en met broedparasitisme door koevogels.

Wetenschappelijke naam

Setophaga aestiva | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Motacilla aestiva; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. aestiva is Latijn, van aestivus 'zomers', naar de vogel als zomergast in het noorden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Quebec (stad), Canada.