Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Mangrovezanger

Mangrovezanger | Setophaga petechia

Mangrove Warbler | Reinita de manglar

De mangrovezanger is de standvogel onder de ‘gele zangers’ en een van de meest verspreide zangvogels van het Caribisch gebied. Sinds de splitsing van de vroegere ‘yellow warbler’ omvat de soort alle niet-trekkende vormen van de mangroven en eilanden, van de Bahama's tot de ABC-eilanden; de eilandvormen worden ook wel als ‘golden warbler’-groep samengenomen. Op vrijwel elk eiland heeft hij een eigen ondersoort, vaak met eigen kopkleur.

Mangrovezanger (Setophaga petechia)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een snelle, heldere reeks fluittonen met een versneld of stijgend slot, verwant aan die van de gele zanger maar per eiland verschillend. De roep is een scherp tsjip. Mannetjes zingen het hele jaar, vooral in de vroege ochtend, vanaf een uitstekende tak in de mangrove.

Luister: ZangXC1035687

Opname: Bobby Wilcox — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–14 cm, geel met een olijfgroene rug, een groot donker oog in een effen gezicht en gele vlekken in de staart. Mannetjes hebben roodbruine streepjes op borst en flanken; de kop varieert per eiland. Op de Grote Antillen en de Bahama's is de kruin van het mannetje geel tot oranjegeel getint, op een deel van de Kleine Antillen, zoals Martinique, roodbruin, en op de ABC-eilanden heeft het mannetje een roodbruine kruin. Vrouwtjes en jonge vogels zijn valer en ongestreept, jonge vogels soms grijsachtig.

Verwarrings­soorten

De gele zanger Setophaga aestiva, een wintergast, is in het veld vaak niet te onderscheiden; een mannetje met roodbruin op de kop of een vogel in de broedtijd in de mangrove is een mangrovezanger. De adelaides zanger Setophaga adelaidae, de barbudazanger Setophaga subita en de Sint-Luciazanger Setophaga delicata hebben grijze bovendelen, een gele wenkbrauwstreep en witte vleugelstrepen. De caymanzanger Setophaga vitellina heeft olijfkleurige strepen in het gezicht en langs de flanken, zonder roodbruin.

Leefgebied

Vooral mangrove langs kusten en lagunes, ook kustbos en kuststruweel; op droge eilanden zoals de ABC-eilanden en Barbados ook doornstruweel, tuinen en parken landinwaarts. Zoekt insecten en spinnen tussen het blad en aan takken, op alle hoogten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Standvogel op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba en de eilanden ervoor, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico, de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen tot Grenada en Barbados, de ABC-eilanden en San Andrés en Providencia. Niet als standvogel op Trinidad en Tobago. Buiten het gebied in de mangroven van de Florida Keys, Mexico, Midden-Amerika, het noorden van Zuid-Amerika en de Galápagoseilanden.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vrijwel elke mangrovezoom, ook bij havens en hotelstranden, levert binnen enkele minuten een zingend mannetje op, het beste in de vroege ochtend. Tussen september en april kan in dezelfde mangrove ook de gele zanger zitten; bij twijfel is ‘gele zanger spec.’ de eerlijke noteerwijze.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Plaatselijk gaat leefgebied verloren door kap en opvulling van mangroven voor kustbebouwing. De vorm van Barbados staat op de Amerikaanse lijst van bedreigde buitenlandse soorten.

Wetenschappelijke naam

Setophaga petechia | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Motacilla petechia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. petechia komt van het Italiaanse petecchia 'rood vlekje op de huid', naar de roestrode strepen op de borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Barbados.