Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Roodkraaggors
Roodkraaggors | Zonotrichia capensis
Rufous-collared Sparrow | Chingolo común
De roodkraaggors is een van de meest verbreide zangvogels van Midden- en Zuid-Amerika, van Mexico tot Vuurland, met een groot aantal ondersoorten. In het Caribisch gebied leeft hij op twee plaatsen ver uit elkaar: in het bergland van Hispaniola, met een eigen ondersoort, en op Aruba en Curaçao, met een andere eigen ondersoort. Op Bonaire ontbreekt hij. In de Dominicaanse Republiek heet hij cigüita de Constanza, op Curaçao en Aruba chonchorogai.
Geluid
De zang is kort en helder: een of twee gefloten, glijdende tonen gevolgd door een triller, ongeveer tie-tieoe, tirrrr, vaak vanaf een dak, paal of struik en het hele jaar door. De variatie tussen gebieden is groot. De roep is een scherp tsjip.
Opname: Guillermo Menéndez (gmmv80) — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
13,5–15 cm, met een kleine kuif die bij opwinding wordt opgezet. De kruin is grijs met twee zwarte zijstrepen; de grijze kop draagt een zwarte streep achter het oog en een zwarte baardstreep. De keel is wit. Een roodbruine kraag loopt over de achternek en de halszijden en eindigt bij een zwarte vlek aan de zijkant van de borst. De onderdelen zijn grijswit, de flanken beigebruin. De rug is bruin met zwarte strepen; de vleugel draagt twee smalle lichte vleugelstrepen. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels missen de roodbruine kraag, hebben een vagere kopstreping en zijn op borst en flanken gestreept.
Verwarringssoorten
De witkruingors Zonotrichia leucophrys, een zeldzame gast uit Noord-Amerika, heeft een zwart-wit gestreepte kruin zonder kuif, geen roodbruine kraag en geen zwarte borstvlek. De huismus Passer domesticus heeft een dikkere snavel; het mannetje heeft een zwarte bef in plaats van een witte keel, het vrouwtje een egale kop zonder strepen. Jonge, gestreepte roodkraaggorzen kunnen aan een savannahgors Passerculus sandwichensis doen denken, maar zijn langstaartiger en lopen meestal met volwassen vogels op.
Leefgebied
Op Hispaniola vooral open terrein in het bergland: randen van pijnbos, bergweiden, struweel, akkers, moestuinen en dorpen, op enkele honderden tot ruim tweeduizend meter hoogte. Op Aruba en Curaçao in tuinen, erven, kunuku's (kleine boerderijen) en open doornstruweel in het laagland. Foerageert op de grond op zaden en insecten, vaak in de buurt van mensen. Het komvormige nest ligt op of vlak boven de grond, in een graspol of lage struik.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Op Hispaniola standvogel in het bergland, vooral in de Cordillera Central van de Dominicaanse Republiek, waar hij plaatselijk algemeen is. Daarnaast standvogel op Aruba en Curaçao; op Bonaire ontbreekt de soort. Op de andere eilanden komt hij niet voor. Buiten het gebied van het zuiden van Mexico door Midden-Amerika en over vrijwel heel Zuid-Amerika tot Vuurland, vooral in bergland.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de Dominicaanse Republiek is hij te vinden rond Constanza en in het bergland van de Cordillera Central, langs wegen, akkers en dorpsranden. Op Curaçao en Aruba zit hij in tuinen en op erven, vaak zingend vanaf een dak of muur.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort profiteert van open, door de mens gevormd landschap. Over de trend van de Caribische populaties is weinig bekend.
Wetenschappelijke naam
Zonotrichia capensis | (Müller, 1776)
Müller beschreef de soort in 1776 als Fringilla capensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Zonotrichia werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Zonotrichia is Grieks, van zōnē 'band' en thrix 'haar'. capensis verwijst naar Kaap de Goede Hoop, een vergissing: de beschreven vogel kwam in werkelijkheid uit Cayenne in Frans-Guyana. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana (oorspronkelijk abusievelijk 'Kaap de Goede Hoop').





