Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Sprinkhaangors

Sprinkhaangors | Ammodramus savannarum

Grasshopper Sparrow | Chingolo saltamontes

De sprinkhaangors is een kleine, platkoppige gors van grasland, die zijn naam dankt aan de zang, een zoemende triller als van een sprinkhaan. Hij komt van Canada tot in Colombia voor, met verschillende standvogelpopulaties in het Caribisch gebied: eigen ondersoorten op Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico en Curaçao en Bonaire. Daarnaast overwinteren Noord-Amerikaanse vogels in het noorden van het gebied. In Puerto Rico heet hij gorrión chicharra.

Sprinkhaangors (Ammodramus savannarum)
Foto: Wildreturn — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een dun, zoemend insectengeluid, ingeleid door een of twee korte tikken, tik-tuk-zieeeee, vaak vanaf een grashalm, paaltje of draad. Daarnaast een langere, meer gevarieerde zang van piepende trillers. De roep is een zacht tsik.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1177492

Opname: Jeff Stewart — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–13 cm, gedrongen, met een platte kop, een relatief grote snavel en een korte, spitse staart. De kruin is donker met een lichte middenstreep. Vóór het oog zit een geeloranje vlek, en ook de vleugelboeg is geel, al is die meestal verborgen. Rond het oog loopt een lichte ring. De bovendelen zijn fijn geschubd en gestreept in roodbruin, grijs en zwart. De borst en flanken zijn effen beige, de buik is wit. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben fijne strepen op borst en flanken en missen de gele teugelvlek grotendeels.

Verwarrings­soorten

De savannahgors Passerculus sandwichensis, een wintergast, heeft een gestreepte borst en flanken, een gele wenkbrauwstreep en een langere, ingekeepte staart. De bleke gors Spizella pallida en de musgors Spizella passerina zijn slanker en langstaartiger, met een kleinere snavel en een ronde kop. De grote cubavink Tiaris olivaceus en het vrouwtje van de jacarinagors Volatinia jacarina leven in hetzelfde grasland, maar zijn olijfgroen of egaal bruin, zonder het patroon van de rug.

Leefgebied

Droog tot vochtig grasland met pollen hoog gras en kale plekken: savanne, weilanden, ruige akkerranden en verwaarloosd suikerrietland, op Curaçao en Bonaire ook grazige stukken tussen het doornstruweel. Leeft verborgen op de grond, waar hij insecten en zaden zoekt. Het nest ligt op de grond, onder een overhangende graspol.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Standvogel op Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek) en Puerto Rico, plaatselijk algemeen in geschikt grasland; op Vieques zeer zeldzaam. Een eigen ondersoort leeft op Curaçao en Bonaire. Noord-Amerikaanse vogels zijn schaarse wintergasten op de Bahama's en Cuba. Buiten het gebied broedt de soort van het zuiden van Canada door de Verenigde Staten, Mexico en Midden-Amerika tot in Colombia.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In het broedseizoen, op Puerto Rico vooral van mei tot juli, zingen de mannetjes vanaf open zitplaatsen in grasland in de kustvlakte. Het zoemende lied lijkt op het geluid van een insect. Buiten de zang drukt de vogel zich in het gras en vliegt pas vlak voor de voeten op, om na een korte vlucht weer in te vallen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar in Noord-Amerika sterk achteruitgegaan door verlies van grasland. De ondersoort van Curaçao en Bonaire houdt zich met moeite staande. Op de Grote Antillen hangt de soort af van open grasland, dat verdwijnt door verstedelijking, bebossing en intensivering van de landbouw.

Wetenschappelijke naam

Ammodramus savannarum | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Fringilla savannarum; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ammodramus werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Ammodramus is Grieks, van ammos 'zand' en -dromos 'loper': 'zandloper'. savannarum is modern Latijn voor 'van de savannes', van het Spaanse zavana 'open, boomloze vlakte', naar het graslandbiotoop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Jamaica.