Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Sneeuwplevier

Sneeuwplevier | Anarhynchus nivosus

Snowy Plover | Chorlo nevado

De sneeuwplevier is de kleinste en bleekste plevier van het gebied, een vogel van kale zoutvlakten en stille stranden. In West-Indië broedt hij in kleine, verspreide populaties die gevoelig zijn voor verstoring; op Sint-Maarten is hij na 2005 als broedvogel verdwenen. Lange tijd gold hij als ondersoort van de strandplevier van de Oude Wereld.

Sneeuwplevier (Anarhynchus nivosus)
Foto: Jason Crotty — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, wat hees fluitend tsjoe-wie en een laag, kort krut of prrt, onder meer bij opvliegen. Rond het nest korte piepjes en een zacht ratelend alarm.

Luister: RoepXC286814

Opname: Paul Marvin — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

15–17 cm. Een kleine, slanke plevier met een rond kopje, een dun, spits zwart snaveltje en donkergrijze tot zwartachtige poten. De bovendelen zijn bleek zandgrijs, de onderdelen helder wit. In plaats van een borstband heeft hij een donkere vlek opzij van de borst. In broedkleed zijn die vlekken, een streep achter het oog en een band over het voorhoofd zwart; bij het vrouwtje en in winterkleed zijn ze bruinachtig. Jonge vogels hebben lichte veerranden op de rug. In de vlucht een witte vleugelstreep en witte zijden aan de staart. Rent snel en ver over het zand, met pauzes waarin hij nauwelijks opvalt.

Verwarrings­soorten

De dwergplevier Charadrius melodus is even bleek maar gedrongener, met een kort, stomp snaveltje, oranjegele poten en een witte stuit. De Amerikaanse bontbekplevier Charadrius semipalmatus is veel donkerder, met een volledige borstband en oranje poten. De dikbekplevier Anarhynchus wilsonia is groter, met een zware snavel en een volledige borstband.

Leefgebied

Kale zoutpannen en de droge randen van zoutmeren en kustlagunes, en rustige, brede zandstranden; plaatselijk op slikplaten. Foerageert op open, vlakke bodem op kleine kreeftachtigen, vliegen, kevers en wormen. Het nest is een ondiep kuiltje op kaal zand of zoutkorst, vaak met schelpgruis bekleed; ouders proberen indringers met afleidingsgedrag weg te lokken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Broedgevallen zijn bekend uit de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, de Dominicaanse Republiek, de Amerikaanse en Britse Maagdeneilanden, Anguilla, Sint-Maarten, Saint-Barthélemy, Sint Kitts, Bonaire en Curaçao. Op Cuba en Puerto Rico, waar de soort aan de zoutpannen van Cabo Rojo voorkomt, gaat het om enkele tientallen vogels of minder. Op veel van deze eilanden is de huidige stand onvoldoende bekend. Buiten het gebied langs de Golfkust en de Pacifische kust van de Verenigde Staten en Mexico, in het Great Basin, en langs de kust van Peru en Chili.

  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op zoutpannen en afgelegen zandvlakten, bij voorkeur met een telescoop vanaf de rand, omdat de bleke vogels op het witte zout pas opvallen als ze bewegen. In de broedtijd worden broedplaatsen het best gemeden; een vogel die laag rennend wegloopt of een vleugel laat hangen, heeft een nest of jongen in de buurt.

Staat van instandhouding

Gevoelig (Near Threatened). In het Caribisch gebied zijn de populaties klein en versnipperd. Op Sint-Maarten verdween de soort na 2005, vooral door verstoring van broedvogels door mensen en mogelijk predatie door ingevoerde dieren. Strandrecreatie, voertuigen op stranden, loslopende honden en katten en het bebouwen van zoutpannen bedreigen de overige broedplaatsen.

Wetenschappelijke naam

Anarhynchus nivosus | (Cassin, 1858)

Cassin beschreef de soort in 1858 als Aegialitis nivosa; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anarhynchus werd in 1832 ingevoerd door Quoy & Gaimard. Anarhynchus is Grieks, van ana- 'naar achteren, omgekeerd' en rhunkhos 'snavel', naar de zijwaarts gebogen snavel van de krombekplevier, de soort waarnaar het geslacht genoemd is. nivosus is Latijn voor 'besneeuwd, sneeuwwit', naar het zeer bleke verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Presidio, San Francisco, Californië.