Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Dikbekplevier

Dikbekplevier | Anarhynchus wilsonia

Wilson's Plover | Chorlito piquigrueso

De dikbekplevier is een kustplevier met een zware, geheel zwarte snavel, waarmee hij vooral krabben vangt. In het Caribisch gebied is hij een standvogel die op stranden, zoutpannen en slikranden van vrijwel alle grotere eilanden broedt. Op Cuba heet hij títere playero.

Dikbekplevier (Anarhynchus wilsonia)
Foto: DickDaniels (http://carolinabirds.org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een kort, hoog en vrij scherp gefloten wiet of kwit, vaak bij opvliegen. Bij het nest daarnaast een droog, ratelend dzjrrit en alarmerende piepjes; het mannetje roept in de balts herhaald en wat schorder.

Luister: RoepXC646551

Opname: Robson Silva e Silva — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16–20 cm. Een vrij grote kleine plevier, met een groot hoofd en een lange, dikke zwarte snavel, en vleeskleurige tot grijsroze poten. De bovendelen zijn grijsbruin, de onderdelen wit, met één brede borstband. Bij het mannetje in broedkleed zijn de borstband en een streep over het voorhoofd zwart en zijn de oorstreek en achterkop soms kaneelkleurig getint; bij het vrouwtje en in winterkleed is de borstband bruin. Boven de snavel een witte voorhoofdsvlek die doorloopt in een korte witte wenkbrauwstreep. Jonge vogels hebben lichte veerranden op de rug en een onvolledige bruine borstband. In de vlucht een smalle witte vleugelstreep.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse bontbekplevier Charadrius semipalmatus is kleiner en donkerder, met een korte snavel met oranje basis, oranjegele poten en een smallere borstband. De killdeerplevier Charadrius vociferus is groter, met twee borstbanden en een oranjebruine stuit. De sneeuwplevier Anarhynchus nivosus en de dwergplevier Charadrius melodus zijn veel bleker en kleiner, met een dun respectievelijk kort snaveltje en geen volledige borstband.

Leefgebied

Zandstranden met een strandwal, schelpenbanken, droge randen van zoutpannen en lagunes, slikplaten en open plekken langs de mangrove. Foerageert vooral op wenkkrabben en andere kleine krabben, die hij met de zware snavel pakt, daarnaast op andere kreeftachtigen, wormen en insecten. Het nest is een kuiltje in het zand of op kale grond boven de vloedlijn, vaak naast een stukje aanspoelsel of een plant.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Standvogel en broedvogel in de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico, de Kaaimaneilanden en de Maagdeneilanden. In de Kleine Antillen plaatselijk en schaarser, vooral op eilanden met zoutpannen; ook op de ABC-eilanden, Trinidad en Tobago en San Andrés. Buiten het gebied langs de Atlantische kust van de Verenigde Staten en de Golf van Mexico, langs de Pacifische kust van Baja California tot Peru en langs de Atlantische kust van Zuid-Amerika tot Brazilië.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Langs de rand van zoutpannen en op rustige stranden, vaak dicht bij de vloedlijn. De zware snavel is ook op afstand het beste kenmerk. In de broedtijd worden nesten en jongen op het strand vaak over het hoofd gezien; een vogel die roepend vóór een wandelaar uit loopt of een gebroken vleugel speelt, wijst op een nest of jongen in de buurt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het Caribisch gebied staan de broedplaatsen onder druk van strandrecreatie, bebouwing van de kust, honden, katten, ratten en mangoesten, en het omzetten van zoutpannen. Op beschermde zoutpannen en ongestoorde stranden kan de soort plaatselijk in goede aantallen broeden.

Wetenschappelijke naam

Anarhynchus wilsonia | (Ord, 1814)

Ord beschreef de soort in 1814 als Charadrius wilsonia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anarhynchus werd in 1832 ingevoerd door Quoy & Gaimard. Anarhynchus is Grieks, van ana- 'naar achteren, omgekeerd' en rhunkhos 'snavel', naar de zijwaarts gebogen snavel van de krombekplevier, de soort waarnaar het geslacht genoemd is. wilsonia eert de Schots-Amerikaanse ornitholoog Alexander Wilson (1766–1813), de 'vader van de Amerikaanse ornithologie'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cape May, New Jersey.