Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Swainsons zanger

Swainsons zanger | Limnothlypis swainsonii

Swainson's Warbler | Reinita de Swainson

Swainsons zanger is een onopvallende, bruine zanger die zich op de grond in dichte ondergroei ophoudt en veel vaker gehoord dan gezien wordt. Een deel van de broedpopulatie trekt naar het zuidoosten en overwintert op de Grote Antillen, vooral op Jamaica en Cuba; de rest gaat naar het schiereiland Yucatán en Midden-Amerika.

Swainsons zanger (Limnothlypis swainsonii)
Foto: TonyCastro — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een luid, metalig tsjip. De zang, in het broedgebied, is luid en helder: enkele trage, langgerekte fluittonen gevolgd door een snellere, dalende reeks, wie wie wie wie-tsjoe-wie-tsjoe.

Luister: ZangXC1002055

Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–15 cm, met een lange, spitse, vrij zware snavel en een korte staart. Bovendelen egaal olijfbruin, de kruin warm roestbruin. Een lichte, geelachtige wenkbrauwstreep boven een donkere oogstreep. Onderdelen vuilwit tot bleek geelachtig, op de flanken grijzer, zonder strepen. Poten roze. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De streepkopzanger Helmitheros vermivorum heeft vier zwarte strepen op een geelbruine kop en geelbruine onderdelen. De noordse waterlijster Parkesia noveboracensis, de louisianawaterlijster Parkesia motacilla en de ovenvogel Seiurus aurocapilla hebben gestreepte onderdelen. Vireo's met een wenkbrauwstreep hebben een kortere, dikkere snavel met een haakje en houden zich hoger in de bomen op.

Leefgebied

Vochtig en halfgroen loofbos, kalksteenbos en bergbos met een dichte ondergroei en een dikke strooisellaag. Loopt over de grond en keert met de snavel bladeren om op zoek naar insecten, spinnen en andere ongewervelden. Overwinterende vogels houden een eigen territorium.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Schaarse wintergast op Jamaica, vooral in de Blue Mountains en het kalksteengebied van Cockpit Country, en op Cuba. Zeldzaam op de Bahama's en de Kaaimaneilanden; dwaalgast op Hispaniola, Puerto Rico en de Maagdeneilanden. Broedt in het zuidoosten van de Verenigde Staten en overwintert op de Grote Antillen, de Bahama's, het schiereiland Yucatán en in Midden-Amerika.

  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste in vochtig bos met veel strooisel op Jamaica, zoals langs de bospaden in de Blue Mountains, door te luisteren naar bladeren die worden omgekeerd en naar het metalige tsjip. De vogel is schuw en houdt zich meestal laag in dichte begroeiing.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De populatie is klein maar stabiel tot licht toenemend. Verlies van ondergroei en bos in het overwinteringsgebied, onder meer op Jamaica en Cuba, is een aandachtspunt.

Wetenschappelijke naam

Limnothlypis swainsonii | (Audubon, 1834)

Audubon beschreef de soort in 1834 als Sylvia Swainsonii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Limnothlypis werd in 1914 ingevoerd door Stone. Limnothlypis is Grieks, van limnē 'moeras' en thlupis, een niet nader bekend klein vogeltje: 'moraszangertje', naar het leefgebied in moerasbossen. swainsonii eert de Engelse natuuronderzoeker en illustrator William Swainson (1789–1855). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Edisto River bij Charleston, South Carolina (VS).