Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Tennesseezanger
Tennesseezanger | Leiothlypis peregrina
Tennessee Warbler | Reinita verdillo
De tennesseezanger is een kleine, effen groene zanger met een korte staart, die broedt in het boreale bos van Canada. Hij overwintert van het zuiden van Mexico tot het noorden van Zuid-Amerika en trekt in wisselende aantallen door het westen van het Caribisch gebied. Buiten de broedtijd eet hij naast insecten veel nectar en fruit. De soortnaam verwijst naar de plaats waar de eerste vogel op doortrek werd verzameld, niet naar het broedgebied.
Geluid
De roep is een scherp tsit of tsjip; de vluchtroep een fijn sii. De zang, soms ook op de voorjaarstrek te horen, is luid en staccato, in drie delen die steeds sneller worden: tsjip-tsjip-tsjip-tsjip, tsjet-tsjet-tsjet, tititititi.
Opname: Jimmy Enfru — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
11–12 cm, met een fijne, spitse snavel en een korte staart. Het mannetje in broedkleed heeft een grijze kop met een witte wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep, een olijfgroene rug en witte onderdelen. Vrouwtjes en vogels in winterkleed zijn olijfgroen van boven, met een gelige wenkbrauwstreep en een geelachtig groene keel en borst; de onderstaartdekveren zijn wit. Jonge vogels zijn het geelst en tonen soms een vage, lichte vleugelstreep.
Verwarringssoorten
De oranjekruinzanger Leiothlypis celata heeft gele onderstaartdekveren, een langere staart, vage streepjes op de borst en een onderbroken lichte oogring. De philadelphiavireo Vireo philadelphicus en de roodoogvireo Vireo olivaceus zijn groter en trager, met een dikkere snavel met een haakje. De gele zanger Setophaga aestiva is egaler geel, met een donker oog in een kaal gelaat en gele staartvlekken.
Leefgebied
Bosranden, open bos, kustbos, tuinen, parken en schaduwkoffieplantages, vooral bij bloeiende bomen. Zoekt hoog in het blad naar insecten en rupsen en bezoekt bloemen voor nectar; in de winter vaak in kleine groepen of met gemengde groepen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Doortrekker in het westen van Cuba, in sommige jaren in behoorlijke aantallen; zeldzame wintergast op Cuba, de Bahama's, Jamaica en de Kaaimaneilanden. Zeer zeldzaam op Hispaniola, Puerto Rico en de Maagdeneilanden; dwaalgast in de Kleine Antillen, op de ABC-eilanden en op Trinidad. Broedt in Canada en het uiterste noorden van de Verenigde Staten, en overwintert van het zuiden van Mexico tot het noorden van Colombia en Venezuela.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste kans is in het westen van Cuba in oktober en eind april–mei, bij bloeiende bomen in bosranden en tuinen. Een kleine, egaal groene zanger met witte onderstaartdekveren en een korte staart is waarschijnlijk deze soort; de onderstaart is het belangrijkste verschil met de oranjekruinzanger.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De aantallen schommelen sterk mee met uitbraken van de sparrenknopworm in het boreale bos, waar de soort in goede jaren talrijk is. In het overwinteringsgebied profiteert hij van bosranden en schaduwkoffie.
Wetenschappelijke naam
Leiothlypis peregrina | (Wilson, 1811)
Wilson beschreef de soort in 1811 als Sylvia peregrina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leiothlypis werd in 2008 ingevoerd door Sangster. Leiothlypis is Grieks, van leios 'effen, glad' en thlypis, bij Aristoteles de naam van een onbekend klein vogeltje. peregrina komt van het Latijnse peregrinus 'rondtrekkend, van elders'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Cumberland in Tennessee.




