Alle soorten › Pelikaanachtigen › Ibissen en lepelaars › Zwarte ibis

Zwarte ibis | Plegadis falcinellus

Glossy Ibis | Morito común

De zwarte ibis is een donkere ibis die van dichtbij kastanjebruin met een groene en paarse metaalglans blijkt. Hij is de meest verspreide ibis ter wereld en heeft vermoedelijk in de negentiende eeuw vanuit de Oude Wereld het Amerikaanse continent bereikt. In het Caribisch gebied broedt hij plaatselijk op de Grote Antillen en zwerft hij tot ver in de Kleine Antillen. Op Cuba heet hij coco prieto.

Zwarte ibis (Plegadis falcinellus)
Foto: Иван Везенковић — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. In de vlucht en in de kolonie een laag, hees knorrend grrrr en blatende, kwakende geluiden.

Luister: VluchtroepXC1180904

Opname: Xavier Riera — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

48–66 cm, slanker en kleiner dan de witte ibis, met een lange, gebogen snavel en vrij lange poten. In broedkleed zijn kop, hals en onderdelen diep kastanjebruin, de vleugels glanzend groen en paars. Tussen oog en snavel ligt kale, donkere huid, aan boven- en onderkant afgezet met een smalle lichtblauwe lijn die niet achter het oog doorloopt. Buiten de broedtijd zijn kop en hals dofbruin met fijne witte streepjes en is de glans minder. De snavel is olijfbruin, de poten zijn donker roodbruin, het oog is donker. Jonge vogels zijn doffer bruin, met weinig glans en een witachtig gestreepte kop. Vliegt met gestrekte hals in rijen of losse groepen; van ver lijkt de vogel geheel zwart.

Verwarrings­soorten

De witbuikreiger Egretta tricolor en de kleine blauwe reiger Egretta caerulea zijn eveneens donker, maar hebben een rechte snavel en vliegen met ingetrokken hals. Jonge witte ibissen Eudocimus albus zijn bruin, maar hebben een witte buik en stuit. De koerlan Aramus guarauna is bruin met witte vlekken en heeft een kortere, minder sterk gebogen snavel. De witmaskeribis Plegadis chihi van West-Amerika, in het gebied een zeer zeldzame dwaalgast, heeft in broedkleed een rood oog en een witte verenrand rondom het gezicht.

Leefgebied

Zoetwatermoerassen, rijstvelden, ondergelopen weiland en greppels, ondiepe lagunes en zoutpannen, en de randen van mangrove. Foerageert in groepen door met de snavel in modder en ondiep water te tasten naar insecten, larven, slakken, rivierkreeften en andere kleine dieren. Broedt in kolonies in struiken of bomen boven water, vaak samen met reigers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Plaatselijk standvogel op Cuba, waar hij het talrijkst is, op Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Jamaica en Puerto Rico, met wisselende aantallen. Op de Bahama's en de Kaaimaneilanden een schaarse gast. Op de Kleine Antillen een onregelmatige tot zeldzame gast, onder meer op Barbados, Guadeloupe en Martinique. Op Trinidad regelmatig in moerassen en rijstvelden, op Tobago zeldzaam; op de ABC-eilanden een onregelmatige gast. Buiten het gebied in het zuiden en oosten van Europa, Azië, Afrika, Australië en langs de Atlantische kust van Noord-Amerika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Cuba in de rijstvelden en moerassen van Zapata en de zuidkust; op Hispaniola bij Lago Enriquillo en de moerassen van het noordwesten. Groepen die in een rijstveld foerageren, verraden zich van ver door de neerwaarts gebogen snavels.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het gebied wordt de soort plaatselijk bejaagd, en verdwijnt leefgebied door het droogleggen van moerassen; rijstvelden bieden vervangend foerageergebied. Het gebruik van pesticiden in de landbouw kan de voedselbronnen aantasten.

Wetenschappelijke naam

Plegadis falcinellus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Tantalus Falcinellus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Plegadis werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Plegadis is Grieks, van plēgas, plēgados 'sikkel', naar de kromme snavel. falcinellus is een Latijnse verkleinvorm van falx, falcis 'sikkel': 'sikkeltje', eveneens naar de snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Java en Sulawesi.