Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Zwartkeelspecht

Zwartkeelspecht | Campephilus melanoleucos

Crimson-crested Woodpecker | Carpintero marcial

De zwartkeelspecht is de grootste specht van het gebied en een Zuid-Amerikaanse soort die in de Caribische regio alleen op Trinidad voorkomt. Hij behoort tot het geslacht Campephilus, waarvan de leden niet roffelen maar met een krachtige dubbele klop op hout slaan. Paren of familiegroepjes werken zich langs de stammen van hoge bomen omhoog en hakken grote stukken schors los op zoek naar keverlarven.

Zwartkeelspecht (Campephilus melanoleucos)
Foto: Rafael Rosa — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het kenmerkendste geluid is de dubbele klop, een luid DA-drrr van twee snel op elkaar volgende slagen. Verder een holle, plofferige reeks tkep-tkep-tkep, soms versneld tot een geratel, en bij onrust een herhaald ka-wa-rrr.

Luister: ZangXC1163766

Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

33–36 cm, groot, met een spitse rode kuif en een lange, lichte hoornkleurige snavel; het oog is lichtgeel. De bovendelen, keel en bovenborst zijn zwart. Een witte streep loopt van de halszijde over de mantel naar beneden, en beide strepen komen op de rug samen in een witte V. De onderdelen zijn bleek okerkleurig met zwarte dwarsbanden. Het mannetje heeft een vrijwel geheel rode kop met een witachtige vlek bij de snavelbasis en een klein zwart-wit vlekje op de oorstreek. Het vrouwtje heeft een zwart voorhoofd en voorste kuifdeel en een brede witte streep, zwart omzoomd, van de snavel over de wang die aansluit op de halsstreep. In vlucht zijn de witte ondervleugeldekveren zichtbaar.

Verwarrings­soorten

Op Trinidad lijkt alleen de gestreepte helmspecht Dryocopus lineatus erop. Die heeft een donkere snavel, een smalle witte streep van de snavel over het gezicht, en twee witte rugstrepen die evenwijdig lopen en elkaar niet raken; het mannetje heeft een rode baardstreep. Bij de zwartkeelspecht vormen de rugstrepen een V en is de snavel licht.

Leefgebied

Vochtig laaglandbos, heuvelbos en ouder secundair bos met hoge bomen, ook bosranden en plantages waar oude schaduwbomen staan. Hij foerageert vooral op stammen en dikke takken van grote bomen, waar hij schors loshakt en larven van houtborende kevers uit het hout haalt; daarnaast eet hij mieren en wat vruchten. Het nest is een zelfgehakte holte hoog in een stam.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen op Trinidad, verspreid in de beboste delen van het eiland; op Tobago ontbreekt de soort. Buiten het gebied van het oosten van Panama via Colombia, Venezuela en de Guyana's door het Amazonebekken tot in Bolivia, Paraguay en het noorden van Argentinië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de bossen van de Northern Range en de Central Range op Trinidad. De dubbele klop draagt ver en is het beste aanknopingspunt; daarna is de vogel te vinden aan de stam van een hoge boom, vaak samen met de partner. Bij twijfel met de gestreepte helmspecht geeft de vorm van de witte rugstrepen uitsluitsel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en een grote populatie. Op Trinidad is ze afhankelijk van bos met grote bomen en daardoor gevoelig voor ontbossing en houtkap.

Wetenschappelijke naam

Campephilus melanoleucos | (Gmelin, 1788)

Gmelin beschreef de soort in 1788 als Picus melanoleucos; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Campephilus werd in 1840 ingevoerd door Gray. Campephilus is Grieks, van kampē 'rups' en philos 'liefhebbend': 'rupsenliefhebber', naar het voedsel van insectenlarven. melanoleucos is Grieks, van melas 'zwart' en leukos 'wit', naar het zwart-witte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Suriname.