Alle soorten › Kolibries en gierzwaluwen › Kolibries › Zwartsnavelwimpelstaart

Zwartsnavelwimpelstaart | Trochilus scitulus

Black-billed Streamertail | Colibrí portacintas piquinegro

De zwartsnavelwimpelstaart is de oostelijke tegenhanger van de roodsnavelwimpelstaart en komt alleen voor in het uiterste oosten van Jamaica. Kleed, bouw en geluid zijn vrijwel gelijk; het verschil zit in de snavelkleur. Of de twee aparte soorten zijn of ondersoorten van één soort, is nog onderwerp van discussie. In deze gids worden ze als twee soorten behandeld.

Zwartsnavelwimpelstaart (Trochilus scitulus)
Foto: dominique sherony — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, metaalachtig ting of tiet en een aanhoudend twink-twink-twink dat aan het eind daalt, gelijk aan dat van de roodsnavelwimpelstaart. Het mannetje maakt in de vlucht een snorrend geluid dat samenvalt met de vleugelslag.

Luister: VluchtroepXC426023

Opname: Nick Komar — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10–24 cm; het vrouwtje meet ongeveer 10,5 cm, het mannetje 22–24 cm, waarvan 10–13 cm voor rekening komt van twee sterk verlengde, zwarte staartpennen. Het mannetje heeft een fluweelzwarte kruin en nek die een kleine kuif vormen, grasgroene bovendelen en glanzend groene onderdelen. De snavel is bij beide seksen geheel zwart. Het vrouwtje is bronsgroen van boven en wit van onder, met groene vlekjes op de flanken, en heeft een korte staart met witte punten aan de buitenste pennen.

Verwarrings­soorten

De roodsnavelwimpelstaart Trochilus polytmus verschilt alleen in de koraalrode snavel met zwarte punt; in de smalle overgangszone komen mengvormen met een deels rode snavel voor, die niet met zekerheid op naam te brengen zijn. De Jamaicaanse mango Anthracothorax mango is groter en donker purperzwart, met een gebogen snavel en geen wimpels. De dwergkolibrie Mellisuga minima is veel kleiner, rond 6 cm, met dofgroene bovendelen en lichte onderdelen.

Leefgebied

Groenblijvend bergbos, laaglandbos en secundair bos, bosranden, plantages en tuinen, van zeeniveau tot ongeveer 1.500 m. Mijdt mangrove. Zuigt nectar uit een breed scala aan bloemen en vangt kleine insecten in de vlucht.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Alleen in het uiterste oosten van Jamaica, in de parishes Portland en Saint Thomas, met onder meer de John Crow Mountains en het oostelijk deel van de Blue Mountains. De grens met de roodsnavelwimpelstaart loopt ruwweg van de Rio Grande in het noorden naar de omgeving van Morant Bay in het zuiden; daar ligt een smalle zone waar beide vormen zich vermengen. Buiten Jamaica komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Langs de Ecclesdown Road in de John Crow Mountains en in de vallei van de Rio Grande bij Port Antonio, op bloeiende struiken aan wegranden en bosranden. Bij vogels nabij de grens met de roodsnavelwimpelstaart is het nuttig de snavel in goed licht te bekijken, omdat mengvormen voorkomen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Het verspreidingsgebied is klein, maar de soort is er algemeen en komt ook in secundair bos en tuinen voor. Ontbossing in het oosten van Jamaica en orkanen zijn mogelijke bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Trochilus scitulus | (Brewster & Bangs, 1901)

Brewster & Bangs beschreef de soort in 1901 als Aithurus scitulus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Trochilus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Trochilus komt van het Griekse trokhilos, een klein vogeltje dat volgens Herodotus de tanden van krokodillen schoonpikte; Linnaeus gaf de naam aan de kolibries. scitulus is Latijn voor 'sierlijk, knap', een verkleinvorm van scitus 'fraai'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Priestman's River, Portland, Jamaica.