Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Alaskastrandloper
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae
Alaskastrandloper | Calidris mauri
Western Sandpiper | Correlimos de Alaska
De Alaskastrandloper is een kleine strandloper met zwarte poten en een vrij lange, aan de punt licht neergebogen snavel. Hij broedt vrijwel alleen in West- en Noord-Alaska en overwintert langs de kusten van Amerika. In het gidsgebied is hij de talrijkste kleine strandloper van de Pacifische kust, waar hij in de winter en tijdens de trek in groepen van duizenden vogels voorkomt.
Geluid
Een hoog, schril, iets raspend tsjiet of dzjiet, hoger dan de roep van de grijze strandloper.
Opname: Paul Marvin — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
14–17 cm, met een vrij grote kop, zwarte poten en een zwarte snavel die langer is dan bij de andere kleine strandlopers en aan de punt fijn en licht neergebogen is; vrouwtjes hebben een langere snavel dan mannetjes. In het winterkleed effen lichtgrijs van boven met fijne donkere schachtstrepen, wit van onder, met een fijn gestreepte grijze waas op de borstzijden. In het broedkleed, in april en mei te zien, roestbruin op kruin, oorstreek en schouders en met donkere pijlvlekken op borst en flanken. Jonge vogels hebben roestbruine bovenste schouderveren. In de vlucht een smalle witte vleugelstreep.
Verwarringssoorten
De grijze strandloper Calidris pusilla lijkt sterk, maar heeft meestal een kortere, rechte snavel met een stompe punt en mist het roestbruin op de schouders; de roep is lager. De kleinste strandloper Calidris minutilla is kleiner en bruiner, met gele poten. De bonte strandloper Calidris alpina heeft eveneens een neergebogen snavel, maar is groter en zwaarder, met een donkerder grijsbruine borst. De drieteenstrandloper Calidris alba is in de winter veel bleker, met een kortere, rechte snavel.
Leefgebied
Slikken en getijdenvlakten, lagunes, estuaria, zoutpannen, zandstranden, kwelders en de slikranden van mangrove, ook garnalenvijvers, zuiveringsvijvers en rijstvelden vlak bij de kust; in het binnenland vooral tijdens de trek. Foerageert in dichte groepen, vaak in iets dieper water dan andere kleine strandlopers, met snelle prikken in de modder.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Talrijk langs de hele Pacifische kust, van Baja California en de Golf van Californië tot Panama, met grote concentraties in de Bocht van Panama tijdens de trek en in de winter. Aan de Golfkust van Mexico en op het schiereiland Yucatán plaatselijk algemeen, langs de Caribische kust van Midden-Amerika schaarser; in het binnenland vooral tijdens de trek. Buiten het gidsgebied broedt de soort in West- en Noord-Alaska en in het uiterste oosten van Siberië en overwintert zij langs de kusten van de Verenigde Staten, het Caribisch gebied en het noorden van Zuid-Amerika tot in Peru en Suriname.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De slikken van de Bocht van Panama en de lagunes langs de Pacifische kust van Mexico houden van augustus tot april grote groepen; bij opkomend tij komen ze dicht bij de kust, waar de snavelvorm goed te zien is.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De populatie is groot, maar sterk geconcentreerd op een klein aantal pleisterplaatsen tijdens de trek, waardoor verlies van slikken en verstoring daar zwaar wegen. In het gidsgebied verdwijnen kustgebieden door garnalenkweek, havenaanleg en bebouwing.
Wetenschappelijke naam
Calidris mauri | (Cabanis, 1857)
Cabanis beschreef de soort in 1857 als Ereunetes Mauri; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. mauri eert de Italiaanse botanicus Ernesto Mauri (1791–1836). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cuba.





