Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Grijze strandloper

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Grijze strandloper | Calidris pusilla

Semipalmated Sandpiper | Correlimos semipalmeado

De grijze strandloper is een kleine, grijze strandloper met zwarte poten en een korte, rechte snavel met een stompe punt. Hij broedt op de toendra van Alaska en Canada en overwintert vooral langs de kusten van het noorden van Zuid-Amerika. In het gidsgebied is hij een doortrekker en, vooral in het zuiden, een wintergast.

Grijze strandloper (Calidris pusilla)
Foto: U. S. Fish and Wildlife Service - Northeast Region — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Een kort, laag tsjurk of krrt, minder hoog en schril dan de roep van de Alaskastrandloper; groepen laten een zacht getsjilp horen.

Luister: ZangXC1046338

Opname: AUDEVARD Aurélien — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–15 cm, gedrongen, met een vrij grote kop, zwarte poten en een korte, rechte, zwarte snavel met een wat verdikte, stompe punt. Tussen de tenen zitten kleine zwemvliezen, die alleen van dichtbij te zien zijn. In het winterkleed effen grijs van boven, met een vage grijze waas op de borstzijden en een witte buik; een lichte wenkbrauwstreep. Jonge vogels hebben van boven een geschubd patroon met lichte veerranden. In het broedkleed bruiner, met fijne strepen op de borst. In de vlucht een smalle witte vleugelstreep en een stuit met een donker midden.

Verwarrings­soorten

De Alaskastrandloper Calidris mauri lijkt sterk, maar heeft meestal een langere snavel met een fijnere, licht neergebogen punt; jonge vogels hebben roestbruine schouderveren. De kleinste strandloper Calidris minutilla is bruiner, met gele poten en een dunnere, spitse snavel. De bonapartes strandloper Calidris fuscicollis en de bairds strandloper Calidris bairdii zijn groter en langvleugeliger. De drieteenstrandloper Calidris alba is groter en in de winter veel bleker.

Leefgebied

Slikken en getijdenvlakten, lagunes, estuaria, zoutpannen, zandstranden en de slikranden van mangrove, tijdens de trek ook de oevers van meren, vijvers en rijstvelden in het binnenland. Foerageert in groepen met korte prikken in natte modder en ondiep water, vaak samen met Alaskastrandlopers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Doortrekker door het hele gidsgebied; in het voorjaar vooral langs de Golfkust van Mexico en de Caribische kust, in de herfst ook aan de Pacifische kant. Als wintergast schaars in Mexico en talrijker in het zuiden van Midden-Amerika, vooral langs de kusten van Panama. Buiten het gidsgebied broedt de soort op de toendra van Alaska en Arctisch Canada en overwintert zij vooral langs de kusten van het Caribisch gebied en het noorden van Zuid-Amerika, tot in Brazilië en Peru.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op de slikken van de Golfkust en van Panama trekken in april en mei groepen door die gemengd zijn met Alaskastrandlopers; door de vogels op snavellengte en roep te vergelijken worden de twee soorten uit elkaar gehouden.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De populatie is in de afgelopen decennia afgenomen, vooral in het oostelijke deel van het broedgebied. In de overwinteringsgebieden wordt de soort plaatselijk bejaagd en verdwijnen slikken en mangrove door garnalenkweek, havenaanleg en bebouwing.

Wetenschappelijke naam

Calidris pusilla | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Tringa pusilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. pusilla is Latijn voor 'zeer klein'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Santo Domingo.