Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Amerikaans woudaapje
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Keerkringvogels en watervogels Phaethoquornithes › Water- en moerasvogels Aequornithes
Amerikaans woudaapje | Botaurus exilis
Least Bittern | Avetorillo panamericano
Het Amerikaans woudaapje is de kleinste reiger van het gidsgebied, nauwelijks groter dan een merel. Het leeft verborgen in dicht riet en lisdodde en wordt vaker gehoord dan gezien. In het gidsgebied broedt het plaatselijk in moerassen van Mexico tot Panama; in de winter komen er trekvogels uit Noord-Amerika bij.
Geluid
Een zacht, laag, koerend koo-koo-koo-koo, dat vooral in het broedseizoen uit het riet klinkt, en een hard, kakelend kek-kek-kek bij verstoring.
Opname: José María Loaiza B. — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
28–36 cm. Een zeer kleine, slanke reiger met een smalle hals, een spitse gele snavel en gelige poten. Het mannetje heeft een zwarte kruin en een zwarte rug, het vrouwtje een donkerbruine kruin en rug met lichte strepen langs de mantel. Beide hebben een warm okerbruine kop en hals, een lichte, okerkleurig gestreepte voorhals en een grote, okergele vlek op de bovenvleugel, die in vlucht opvalt tegen de donkere slagpennen. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, maar zijn sterker gestreept. Een zeer zeldzame donkere vorm is kastanjebruin waar de gewone vorm okergeel is. Klimt behendig door riet en houdt bij gevaar de snavel recht omhoog.
Verwarringssoorten
De groene reiger Butorides virescens is groter, heeft een donkergroene rug, een kastanjebruine hals en oranje poten, en mist de lichte vleugelvlek. Jonge kwakken Nycticorax nycticorax zijn veel groter en wit gevlekt. De Amerikaanse roerdomp Botaurus lentiginosus en de Zuid-Amerikaanse roerdomp Botaurus pinnatus zijn veel groter en effen bruin gestreept, zonder contrasterende vleugelvlek.
Leefgebied
Zoete en brakke moerassen met dicht riet, lisdodde of biezen, oevers van meren en lagunes, kwelders, randen van mangrove en rijstvelden; vooral in het laagland, plaatselijk hoger op de Mexicaanse hoogvlakte. Jaagt op kleine vis, kikkers en insecten, vaak hangend aan rietstengels boven het water. Het nest is een klein platform van stengels in dichte moerasvegetatie boven het water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedvogel op verspreide plaatsen in het hele gidsgebied: in het noordwesten van Mexico van Baja California en Sonora zuidelijk, op de Mexicaanse hoogvlakte, langs de Golfkust van Tamaulipas tot het schiereiland Yucatán en verder van Belize en Guatemala tot Panama. Buiten de broedtijd zijn er meer waarnemingen door trekvogels uit Noord-Amerika, vooral in Mexico. Buiten het gidsgebied broedt de soort in het oosten en zuidwesten van Noord-Amerika, op de Grote Antillen en verspreid in Zuid-Amerika.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Goede plekken zijn de lisdoddemoerassen van Tabasco, de Laguna de Chapala, Crooked Tree in Belize en Palo Verde en Caño Negro in Costa Rica. De vogels laten zich het best zien bij het oversteken van een open plek in de vegetatie of bij een korte vlucht laag boven het riet, waarbij de lichte vleugelvlek opvalt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. In het gidsgebied plaatselijk vrij algemeen, maar door de verborgen leefwijze waarschijnlijk vaak over het hoofd gezien. Afhankelijk van moerassen met dichte vegetatie, die door ontwatering en omzetting in landbouwgrond zijn afgenomen.
Wetenschappelijke naam
Botaurus exilis | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Ardea exilis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Botaurus werd in 1819 ingevoerd door Stephens. Botaurus is middeleeuws Latijn voor 'roerdomp'; het woord verbindt het Latijnse bos 'rund' met taurus 'stier', naar de loeiende roep (vergelijk butire 'boemen'). exilis is Latijn voor 'klein, slank', naar het geringe formaat van dit dwergroerdompje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Jamaica.




